Dictaten dogmatiek. Locus de Providentia, Peccato, Foedere, Christo - pagina 349
college-dictaat van een der studenten
;
§
Om
dit te begrijpen
moeten
'Av^p(j>xoc
av^p'^TTQc
09
De Dooa.
wij wel
ai/3-/ja)xo^-
De
7.
onderscheiden tusschen
quod ad existentiam en quod ad qualitatem.
quod ad existentiam kan nooit
evenmin
vernietigd,
een
als
quod ad chemisch deeltje, en alle spreken van wie voor existentiam is onzin. Adam bleef dezelfde na zijn geestelijken dood, hem zag loopen, en evenzoo de bekeerde mensch na zijn geestelijke wedereen Kxcvbq of TrxXxihq 'ivB-pojTroc
geboorte.
mensch ook een qualitas en die qualitas zit niet alleen maar evenals bij de plant en het in spier-, ziels- of wils-kracht of wat ook dier de schoonheidsgedachte de gedachte Gods is over de geheele bloem en het geheele paard zoo is ook die qualitas de uitdrukking van de gedachte Gods
Maar nu
heeft de
;
;
;
Die qualitas
over den geheelen mensch. dat
in
maar
mensch,
den
dus
is
niet
van een
van den geheelen mensch
;
deel,
van
dit of
en daarom wordt die
genoemd de -xxXxibq of y.xivoq cKvS-pwTrog. Was deze qualitas eene hebbelijkheid, die er bij kwam, dan zouden wij moeten spreken van de 7ra?.x/.óg of KXivóg hebbelijkheid in den mensch; maar omdat deze qualitas eene centrale is, die op den geheelen mensch slaat, die, dewijl de mensch een qualitas in de Heilige Schrift
organisch ckvB-p(^7rcg.
haar
wezen is, reikt zoover de mensch rijkt, daarom heet die qualitas En daar die qualitas goed of kwaad kan zijn, noemt de Heilige Schrift
k/xcuóc
of TrxXxióg.
Toen God Adam schiep, gaf hij aan Adam het zijn van av3-/:w7rc<,- quod ad existentiam en quod ad qualitatem. In de ie hoedanigheid was hij aan God verbonden met onlosmakelijke banden
nl. die van het creatuur aan den Creator. de 2e hoedanigheid lag hij aan God verbonden,
;
In
gelijk
Luc.
3
zegt,
als
zoon aan Zijn Vader
;
niet als creatuur
dus het genetische begrip
maar ;
die
band was wel losmakelijk. Die
xvB-poiTTog
ven zoodra
nu quod ad qualitatem, dien
Adam
zondigde.
Toen de zonde
Adam van God intrad
was
ontving,
is
gestor-
de mensch dood.
Wie
Schriftbegrip van „dood" goed vat, staat pal tegenover het Arminianisme. Immers de ^xuS-pwTrcg quod ad qualitatem heeft betrekking op de ethische zijde van den mensch; door dit in te zien, begrijpen wij ook ons volkomen bederf dit
de mensch
is
zedelijk een
Daarachter, daarna
ligt
lijk.
de wedergeboorte.
Zoodra die avB-pwrog quod ad qualitatem
om
doet nu die wedergeboorte.^
sterft, slaat
de natura
in het
tegendeel
en ontstaat er een andere avB-pwTrcg; niet een hebbelijkheid of neiging maar een
geheel andere (quod ad qualitatem) die,
Wat
xu3-p(j^7rog.
door de zonde afgesneden, omslaat
in
Deze
een
ai/B-pwTrog
quod ad qualitatem,
auB-po^Trog die
minus
is,
of gelijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 1028 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 1028 Pagina's