Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 772
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Tertia).
82 het
dat
eeuwig, wijs en onveranderlijk, maar
éen,
is
voorkomt; want
dat er steeds het beslotene uit
scheiden
worden tusschen hetgeen het besluit zelf werkt en hetgeen duldt of toelaat, maar ook deze toelating stelt de uitkomst
te
het besluit
maar
twijfelachtig,
niet
als zeker,
en het karakter van toelating ont-
deel van het besluit alleen daaraan, dat in het besluit zelf
een
leent
de mensch besloten
onbewust, maar bewust
als niet
ligt
der dingen meelevende en meehandelende, en alzoo Uit
zaak.
dit
den loop
dat
bewustzijn kiest tegen het
in zijn
hij
ook
kan
al
die
hij
pen, dan op hetgeen naar
Het
noodlot
zonde nimmer op
Gods verborgen
of determinisme en
de
iets
kon gebeuren
maar wel besluit
in
van het
besluit
zijn
zou doelen op wat zóo
kan anders gebeuren dan het gebeurt;
niets
een
proces,
psychisch
terwijl
realiteit
het besluit zelf voortvloeiende
stelt
ook het tweede onderscheid tusschen beide alles laat
voortkomen
uit
de leer van het
mensch
het zelfbewuste en zedelijke leven in den
determinisme
er
het determinisme het psychische leven in den
dat
hierin,
mensch omzet
;
is
anders doen uitloo-
wil geschieden moest.
leer
niet hierin onderscheiden, dat het besluit
of anders
ook
hem door
gestelde richtsnoer, tegen Zijn geopenbaarden wil, en dan
zonde,
dus
in
tweede oor-
bewust meeleven wordt voor den mensch de gewaar-
mogelijkheid,
God
als
vrijheid tot overleg en zelfbepaling geboren, en dus
wording van de
ook,
wel behoort onder-
willen
een
uit
hierin uitkomt, dat het
eene redelooze
noodwendig-
heid, terwijl de leer van het besluit de bepaling voor leent aan het vrijmachtig
als
en eerbiedigt, gelijk
alle
ding ont-
van den zelfbewusten God.
Toelichting. I.
Het besluit en de besluitende
Als dat nu zoo
God
is,
God
is
éen.
met welk recht maakt men dan toch onderscheid tusschen
en Zijn besluit ?
Het antwoord op die vraag
„Wij" en „ons-zelf eenheid
is
bedoeld.
is
éen;
ligt
in
Desniettemin
in
de verhouding, waarin wij
de uitdrukking „ons-zelf" is
het
noodzakelijk,
tot onszelf staan.
ligt
eene
reeds dateene
onderscheiding
tusschen ons „ik" en ons „zelf" te maken.
Wel
is
waar,
dat
eerst
tengevolge
der
zonde die onderscheiding eene
scheiding, eene disharmonie wordt, waarbij de eenheid van ons bestaan teloor gaat,
maar daaruit volgt nog niet, dat die onderscheiding op zichzelf een van de zonde is. Lezen wij van den verloren zoon, dat hij „tot zich
uitvloeisel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's