Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 779
college-dictaat van een der studenten
Hoofddeel
V.
§
De natura
4.
decreti.
80
•
den
aardschen
van
meester
kunstenaar
het
overgaan
dan
heelal,
op den oppersten kunstenaar en bouw-
valt elke onjuiste beoordeeling en elk verkeerd
motief geheel weg. Men kan niet het meerdere onderwerpen aan de keur van het mindere. Als God den kosmos schept en zegt niD '<p, en Schopenhauer c.
komen dan zeggen, dwaze menschen
s.
dat
die
Schepper de meeste kennis
Ware
kosmos de
dat die
allerslechtste
is,
dat weet men,
zich vergissen en belachelijk zijn, wijl
God
als
de
bezit.
moest de eere Gods gezocht in de goedkeuring der dan zouden wij in den mensch of den engel den maatstaf hebben en God aan hun oordeel onderworpen worden, de omgekeerde orde, God dependent van Zijn creatuur. Ja meer nog. Wanneer God de Heere het
menschen
dien
in
doel
engelen,
om
alles
Schepping
de
wil
nu de mensch Gode lofzingen zou, dan zou met dat
zaal,
God zou dus
overeenkomen.
niet
laten
eene
in
Zichzelfs wille schiep, dat Hij het geschapene aan den
opdat
voorlei,
menschen
maar
der
zin
mensch
en
anders,
of
zien,
waar
Geen schilder, die stukken aan de ophangen in eene hut aan den Noordpool,
ze
zal
komen
ieder
kan.
Zijne Schepping zóo moeten maken, dat
steeds onder het
zij
oog van den mensch kwam, dat de mensch dat geschapene zou kennen en nu Gode lof toebrengen. Wij zien echter, dat God dit niet deed, eeuwen lang bestond toch die wereld, terwijl
in vele streken nog nimmer een sterveeeuwen door is er openbaring van het leven Gods en van de elementen ook in oorden, waar geen menschen wonen. Was dus alleen het doel geweest om de dingen aan den mensch te toonen om van
ling
een
hem
lof
voet
zette
Alle
ontvangen,
te
Nog heden
dage
ten
dan
zou er
een noodelooze schepping geweest
zijn.
Midden- en Zuid-Amerika landen, waar geen sterveling zich ophoudt en waar toch God de wonderen Zijner schepping daarstelde, ten allen tijde is er aan Noord- en Zuidpool pracht en heerlijkheid in Gods Schepping, die door niemand wordt aanschouwd. Is er niet in de diepten van den Oceaan eene wereld van wonderen? Wie ziet ze? is er niet op de toppen der bergen eene majesteit, die verrukt en aangrijpt?
Wie neemt slechts
van
eene
dat alles stip in
er bijv. in
waar? En bovendien,
het groot heelal,
Gods macht en majesteit?
Gods starrenhemel, van
zijn
het
Waarom
uitspansel al
er
?
Kon
alleen
is
er buiten
ons klein wereldje,
zoo oneindig
wij bij
veel, dat spreekt
nimmer bij het opzien naar den kosmos? Zou die pracht
om
ons een heerlijk gezicht te geven? op die onnoemlijke afstanden van onze aarde geplaatst Hij
zijn
niet
afstand van ons hebben doen
avonds langs de
is
niet
Gevoelen
dat onze wereld niets
die bollen
door Gods hand
nog
even goed kleinere wereldbollen, op korteren
zweven door
straat begeeft, ziet
het luchtruim?
omhoog om
Wie, die zich des
die pracht te
aanschouwen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's