Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 742
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Tertia.)
52 het
in
besluit
ligt
Zijn besluit, dien
in
toch
weg
eveneens de weg der boozen, maar God
met onze vrienden, met hen met wie wij
Gelijk wij ons meest bezighouden
betrekking
nadere
in
God met hen Jeremia
1
:
is
5
evenzoo
;
nog
dus
de profeet
w^i^
N^n: ^'^i^^lp?? ^<y})? ^-f^ ^19?^
Perfectum,
T'^'^I^k''!^'
niet
^^
drukt
T^VT
dat
uit,
1^15?? ^"i'^^.
maar
„Ik zal u stellen",
niet
was, kende
geboren
weg
hem alleen, maar ook geheel het vv weer genomen sensu bono van een der „Gelijk 5 zegt de Heere In Jeremia 24 zijn
God hem
1'^2
„Ik heb
Terwijl
reeds volkomen, en
Ook
en levensloop.
hier zien wij
gunstelingen Gods.
die goede vijgen, alzoo zal Ik weggevoerden van Juda", en voor dat „kennen" is gebruikt de vorm n\3n, Hiph van id: dat „doorboren" beteekent. Het :
:
kennen
de gevankelijk
„kennen"
heeft
hier
dus de beteekenis
kende de ballingen van juda ten goede In
VT
afwijking daarvan |pnn ^"lïN Dlion.
'"
niet
hier
begrip van
dit
bekende woord:
geeft ons het
gebezigd T^^Ö^ het
u gesteld"
ook hier;
zoo
staan,
eene andere betrekking heeft.
:?I^nn^
Hier
ook
ziet,
ten verderve gaan.
Hosea 13
:
5 spreekt God:
woord hangt samen met
:
„tot
;
Hij
op den grond doorzien". doorzag hen
p?<? i??^?
:nl2x5'ri
tot
"^W^
God
op den bodem. (dit laatste
'^^
nn^, vlam, en beteekent „geweldige hitte"; het staat
•dus parallelistisch voor „woestijn", omdat daar de hitte gewoonlijk zeer sterk is).
„Ik
toen
zij
heb u gekend" beteekent dus daar
vaderen In
in die
daar
in
Amos 3
„kennen"
:
dat
niet,
de woestijn waren, kende
2 wordt zoo
hier heeft,
Dat kennen
Gods
gunstelingen
waren,
God
toen de Israëlieten kende
woestijn rondwandelden, maar heeft dezen zin ik
zich
op
het
„toen
sterk mogelijk de electieve zin, die het
op den voorgrond gesteld richt
:
in
dien
ware
zin
Israël
;
^"ry^Vir^^
:
uw
u met Mijne Goddelijke kennis.
alleen in
mnstf^tp ^373 ^ni?T
op hen, die
denzelfden
woord
D3nx pn
in Israël Zijne
zin, als
waarin wij
spreken van onze „kennissen"; degenen, die ons nader staan dan de groote massa.
Ook van de menschen komt 1?t in dien zin voor in Genesis 3 5, waar de „Gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad". Men :
slang zegt
:
woorden gewoonlijk op, alsof zij beteekenen zouden ge zult verstand Dit is echter onzin; Adam kende krijgen om te zien, wat goed of kwaad is. tevoren wel degelijk onderscheid tusschen goed en kwaad hij had een zedelijk besef; hij wist, wat hij doen en laten moest. Er staat uitdrukkelijk bij, dat de mensch met dat kennen iets zou verkrijgen, wat dusver alleen God bezat en nu is de kennis van goed en kwaad niet alleen bij God, want de duivelen
vat die
:
;
en engelen hebben die kennis ook. Neen, hier
is
bepaald bedoeld het Goddelijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's