Dictaten dogmatiek. Locus de Providentia, Peccato, Foedere, Christo - pagina 640
college-dictaat van een der studenten
;:
Locus DE Christo (Pars Prima).
92
Om
maken, wezen wij er boven reeds op, dat
dit duidelijk te
de oecono-
in
mia Dei de eigenaardige werkzaamheid van den Zoon hierin gelegen was, dat de vormgevende, de stempelende God. Niet alsof de Zoon de vorm
Hij is
want
zich zelf zou hebben,
tx-jtx ïk
opdrukken van de vormen iv
xIt']»
crs(p!x
To'j
maar
(Ti^ifixTtyMc.
den
in
zich uitsprekende
Daarom
Zoon.
Dat heeft
daartoe
is
wereld tpkpz'.
Hem
bij
Nu
is
in
het hoogst
die
dus
Zijn
;
Hem
de
opgedragene. Wel het
daarom
is
Hij daartoe geordi-
het zijn van den Xoyoc
;
zonder die
Hij
Hem. Daarom xirs'j
;
zegt
niet bestaat.
Zijn
in
ligt
alle
Hem,
bij
Die vormen-
ook de Apostel, dat
Hij
doordat
Hij draagt alle dingen,
de vorm, het exempel van
vormenwereld (de Aóyoc den mensch
In
Deze bestaansvorm raakt dus
Wanneer nu
is
dingen wordt
txvtx in
in
den
stand
woord.
de mensch.
is
een
niet
vreemd aan den Zoon, maar past
niet
duvxixE'jic
T'rc
^óyxui.c inzit
gehouden door
is
Maar
wel zóó, dat
buiten
niet
phi^xTi
Logos de
is
thuis, en
staat
r';>
\oysc, want Hij
;
Hij niet gezalfd.
De vormenwereld hoort
maar de rijke woont de wijsheid
niet Ontologie,
Zoon
de
heet
mandato divino
Hij e
dineerd en met den H. G. gezalfd. ;
is
a-oiplx.
Die werkzaamheid nu van den Zoon
Messiasambt.
wezen
'Lo<pix
Niet in den Vader en niet in den H. Geest
vormenwereld. Gods,
de oeconomische werkzaamheid van den Zoon
is
öcsD oivM
uit
TLxrpóc; maar het plooien, aangeven,
ts'j
't
in is
den
y,ocrfx^c)
een lager en hooger
het zenith van alle bestaansvorm.
naast aan den Christus.
is een vorm A, een vorm B en een vorm denneboom en een leeuw, dan kan het graniet nooit in een denneboom en de denneboom nooit in een leeuw overgaan, omdat elk van die zijn eigen vorm heeft dus waar de ééne vorm is, kan de andere niet zijn evenals de lichamen ondoordringbaar zijn, zoo kan de eene vorm ook niet zijn het lichaam van den anderen vorm. Daarom kan in die vormen nooit een wezen ingaan, wat zelf een vorm heeft. Zal daarvan dus sprake wezen, dan moet het een wezen zijn, d^ zelf geen existentievorm heeft. Dit nu is juist het kenmerkende van het Goddelijke. Het Goddelijke heeft wel een wezen, maar geen
C,
b.v.
een
in
die
vormenwereld
stuk graniet, een
;
;
existentievorm. Dit drukken wij
uit
door
te
zeggen, dat
God
infinitus
is.
Alle
De Oneindige Dus is in den Zoon niet de een of andere vorm, die Hem het ingaan in andere vormen belet. Hier is het aanknoopingspunt, waarin niet het mysterie wordt opgelost, maar met tittelrjes de richting van de lijn wordt aangegeven, waarop de oplossing ligt. Van de andere zijde zien wij, dat die menschenvorm geschapen is naar het beeld Gods. Wel zijn de Engelen van een deels hoogeren vorm, wijl zuiver spiritueel, maar alleen bij den mensch wordt het beeld Gods gevonden. De mensch is S-c/xc (p-jo-c'M hij heeft de roeping om te worden i>i->^ t:'j öesi En alzoo is onder al die vormen geen vorm, die receptief meer vermogen bezit, om als tempel te kunnen dienen voor den Zoon van God, dan juist de mensch. vorm
bepaalt,
heeft
dat
beperkt,
geeft een einde extensief en intensief.
bepaalde, beperkte
;
niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 1028 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 1028 Pagina's