Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 166
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Prima.)
148
menten krachten
uitoefent,
Natuurlijk staat dat
Dat
dus
is
Immers,
tt-jvjixx
maar
niet armer,
ze
x-jvjix-x,
dat
zonder middelen ?
doet
het
rijker
dan het
tv-jvjijlx,
dat ze wel noodig heeft.
dan voertuigen en geleiddraden.
niet
zijn
het
of
hooger, dat geen van deze corporeele middelen behoeft.
heb mijne
Ik
mijn
ziel,
en daarin verschillende vermogens, die echter mijn oor en oog enz. gebrui-
ik,
ken,
om
te
dus
niet
in
hooren, die
respondeert met
onze
oog en
die correspondeeren
gens,
vermogen om van
zelf,
naar Gods beeld
ziel
God,
in
is
zien
te
enz. Het eigenlijke van de
te zien
membra
en
maar
mijne
ingewand
hart, is
in
is
niet in
dientengevolge
in
membra
waarin dan
iets
en nieren etc. Welnu,
geschapen, dan
met vermogens
bijv.
ziel,
in
zijn
corporis is,
ligt
dat cor-
wanneer nu
onze zielsvermogens vermo-
Wezen
het Goddelijke
Het
zelf.
ons opgekomen, maar het origineel er ons,
omdat onze
naar
ziel
zijn
beeld
En ons lichaam is er weer op geschapen, om die zielsvermogens te dienen, de vermogens namelijk, die ook bij God aanwezig zijn, maar bij Hem zonder instrumenten werken, waar ze bij ons aan die instrumenten gebonden zijn. Al die uitdrukkingen dus van „de hand des Heeren", „het oog des Heeren" enz. strekken niet om te kort te doen aan Gods eere. Neen, maar
geschapen
is.
aan de instrumenten en toch bij machte het Urpneuma, naar wiens exemplum ons pneuma
ze toonen aan, dat Hij, als niet gebonden
om
zijne
gevormd
vermogens is,
te uiten, is
en die deswege
in
dezen kan spreken: „Zou
in
om te)
te)
hooren; zou
zijne Heilige Schriftuur vol majesteit als regel
Hij, die
Hij, die
het
vermogen hobh^n
het oor plant, niet (het
oog formeert,
niet (het
vermogen hebben
om
aanschouwen?" [De Theophanieën en de Incarnatie worden natuurlijk in den locus de Christo in den locus de Deo, vinden wij den wortel. Eerst door deze beschouwing van het anthropomorphisme wordt het duidelijk, hoe God den menschelijken verschijningsvorm kan aannemen, beide in Theophanie en Incarnatie, zonder aan zijne Goddelijke natuur te kort te doen.] behandeld. Maar hier
ter
De simplicitas Dei. De simplicitas Dei behoort bij het „wezen" en sprake te komen. Ook onze belijdenis maakt dit
te
spreken
VII.
A.
over dat
te
wij
van
gaan
„een
tot
apart
bij
gecatalogiseerd.
bestaanswijze.
de „eigenschappen"
onderscheid, door in Art.
1
eenig en eenvoudig geestelijk Wezen", en eerst daarna
de opsomming van de virtutes Dei. Het
God noemen,
eenvoudig worden
niet bij
en dat nu eenig en eenvoudig het
Wij
Wezen gevoegd hebben
in
is,
is
niet
een Wezen,
neen, maar eenig en
en eerst daarna worden de virtutes
deze simplicitas Dei
te
doen met eene
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's