Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 518
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Altera).
84
22 „Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom weg van het aangezicht des volks".
vers niet
des nachts
:
Hier treedt
renden
dus geene
geen
glans,
menschelijke
engel
vertoont
de praesentie des Meeren, dat zich het eerst verwachten
niets
met
gestalte op, hetzij dof of
zich
hier; er
is
alleen
schitte-
een teeken van
dan een teeken, en wel zulk een teeken
liet.
Wanneer men een langen marsch doet
in
eene bergachtige streek, en er zich
een onweer samenpakt, dan zal iemand die daar wandelt zonder aan denken, bliksem
de gedachte aan
niet
met
hem
het
Op
uitschiet
wordt
spatten, is
onwillekeurig
hij
God
maar naar
stralen,
te
kanten vonken doet heen-
alle
door een gevoel van de tegenwoordigheid Gods getroffen, en
niet mogelijk langer
gedachtenloos voort
nu wordt ons gezegd dat
die wijze
God
voelen opkomen, en als dan de
te
wandelen.
uit Egypte, de wolken op eene buitengewone wijze met donkerheid omkleed, en toch vuur uitstralende, halverwege de aarde zweefden, en zich lager dan anders vertoonden.
bedoeld, het wonder dat daar plaats greep te verkleinen, als een onweer opzetten, dat tevens dienst deed voor het doel dat beoogde in de leiding van Zijn volk; neen, integendeel, het vergroot juist wondere dezer verschijning dat zij juist plaats greep zonder onweder, en
[Hier
kwam God het
de uittocht
bij
niet
is
er
juist
maar in de vlakte. aan wonderen gelooven óf er niet mee rekenen; erkent men ze, dan moeten zij ook in volle majesteit optreden. God de Heere is zoo rijk, dat Hij uit de gewone natuur Zijne middelen kiest, en ze gebruikt tot wat niet in een bergland,
Men moet
óf
Hij wil.]
Deze verschijning was constant diezelfde wolken gloeiden innerlijk vuurglans niet uitstralen, maar
Welke Wij
is
;
er
waren geen twee verschijnselen, neen
door den glans van het daglicht kon die
nacht vertoonden
zij
een rossen gloed.
nu de beteekenis van die wolkkolom ?
moeten hierop
maar
delaar,
bij
;
letten
:
dat het einddoel van alle religie niet
hierin bestaat, dat
men door den Middelaar
het diepste
wezen der
eigene
met het „Ik" Gods persoonlijke gemeenschap
Nu
ziel is
de nln>
den wat zelf",
bij
"^N^'p
religie
den Heere Christus voorkomt, dat
en dan weer spreekt over
in,
10.
dat
2P.
dat
en daarom
God God
zijn
God
7^p•' "?]N^Q
hij
bij
komt,
van onze
heeft.
wien wij hetzelfde vin-
dan
hij
zich iets tusschen
twee dingen mogelijk
rechtstreeks verschijnt, of in
de Mid-
God zelven
nu eens zegt:
alsof een ander stelt
tot
eerst vervuld, als het „ik"
altoos eene tusschengestalte,
die verschijningen van den
soon
wordt dan
is
eene menschelijke gestalte Zich openbaart.
„ik
God God
ben
was.
God Bij al
en den per-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's