Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 250
college-dictaat van een der studenten
Locus DÈ Deo (Pars Prima).
23a
evenals ba ook van andere redelijke wezens, op wie
Zoo bijvoorbeeld
jesteit rust. tot
de
dat
iets,
op
zich
een
Exod. 21
niet doelt
op God,
aarde
Men
„majesteit".
men
wat
ü\"i^N", iets
in
die
rechter,
Psalm 97
:
7
tegenover Hier
aanheffen. vertaald
de
heer brengen
op de afgoden, maar op :
„Majesteit",
die
is
hier.
Dit ziet op de engelen, met majesteit be-
waarmee
Majesteit,
ook doen, want ook
Die gedachte hebben wij
1
:
In
:
de tegenwoordigheid der
bekleed
zij
gelijk
zijn,
zal ik mijn loflied als het
kon
de Duitschers dat woord kennen,
niet
Het moest
sprake van koningen of rechters.
is
door
zijn
zijn
dus liever vertaald hebben
rechtspreekt,
Zoo ook Psalm 138
kleede hoogere wezens. D\"j'?x,
naam
met majesteit bekleed.
D\-i^N-^3 i^-nnntfrn.
:
hem
koning aan met „Majesteit", maar dat moest
een zijn
in
tijdens zijn rechtspreken
zal
laat staan
Men moest
openbaart.
spreekt
„Zoo
6:
:
van de Goddelijke Ma-
iets
„Eure Majestat", maar „Majestat".
Hiermee hangt saam wat
[In
zag opkomen
dien
zeide, dat
zij
„Ik zie n\i'?N uit de aarde
eene
opko-
hebben
6, 2 Job 1 onze overzetting :
bü'W''
Anders
wij ons te buigen voor de volkssouvereiniteit!]
zin
bijv.
""^3
enz.
1
:
verstaan
te
Dat wil
niet
niet
de kinderen van
Men
zeggen „kinderen Gods".
Zoo ook Psalm 29
:
al 1
Israël,
Zoo ook
Israël.
zamen de D\i^x uitmaken;
gelegd heeft.
uitdrukking van ü^"^^N^
de
""Jii,
heeft in
het algemeen die orientalische uitdrukkingen laten staan.
in
zijn
ook
wij
hangend geheel, het volk van te
:
Zij
dat karakter schuilt ook de oorsprong van het souverein gezag.
hadden
die
13 geschreven staat van die schim-
:
Endor zag opkomen.
Majestat heeft het karakter van het bovennatuurlijke.
mende."
In
Sam. 28
1
uit
verschijning
bovennatuurlijke
De
in
welke de toovenares
men,
is
maar een genealogisch samenzijn
datgene, te
de Q^^^x^^
'Jïi
diegenen,
al
waar de Heere majesteit op
verstaan van de engelen of ook van
wat op aarde Gods majesteit draagt.
De naam er
ryibü
en
eenvoudig eene
blijkt,
D\"i^N
nadere
dit blijkt er duidelijk uit,
ha
de
oudere
naam,
dan
dus met den naam
ontwikkeling
ongetwijfeld de oudste.
En
zijn
staat
van.
En vandaar ook
\>H
op éene
De naam is
die
naam
hu
is,
reeds
daaruit,
dat
maar
is
gelijk overal
het verst verspreid.
dat ü\i''N geen polytheïstisch begrip volgt
lijn,
is.
Immers,
de naam D\ibx
de saamvatting van het polytheïstisch begrip, maar moet
zijn
niet
is
kan
de uitdruk-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's