Dictaten dogmatiek. Locus de Magistratu, Consummatione Saeculi - pagina 519
college-dictaat van een der studenten
§ kan
''^''l?
mortüis ante parousiam
geplaagde geen zin hebben,
dezen
bij
De
3.
opvatten. Het heeft alleen beteekenis
nu
mist
en
„van
uit zijn
Daarop
de overtuiging
in
vleesch"
wijst
i.
maar zeer
den melaatsche, die vleesch en oogen
God
dat, als
^xn;
er
óf
zijne
opstaat,
met
en
kant
7
daar
deze het
en
'!'
dan
niet in
wil
het
iemand,
als
toch moeilijk als
niet
„ik zal
:
mij
die
God
vreemd
met
aan
dan
hem vreemd
verklaart
hem vreemd
zijnde
zien
is."
het enkelvoud staat en „vrienden"
op God,
zich
zeggen
weer zal.
„ani"
zien", reëel dus.
en
in
mij staande,
bij
Dit laatste
meervoud
is
is
moeten
dan
onder worden verstaan „zijne tegenstanders, zijne vrienden"; óf
er
hij
oogen God zien
oogen zullen hem
tegenstelling
in
hem
over
geen sprake van een geestelijk
is
plastisch, „mijne
kan genomen
dit
bij
het spirituaUstisch
als wij
met vleesch bekleed en met
ook het meervoud
zien, spiritualiter,
"iPN'h
d.
leeft,
43
verband
aan mijn
waarschijnlijk,
en bovendien, wijl
kunnen worden beschouwd.
tegelijk
dat
zal
houden,
maar hem verschijnen
^'?
Slaat
en wil dus zeggen, dat
het
zal als
God een
bekende ten gunste van hem. „Mijne nieren verlangen zeer
van heimwee
in
mijnen schoot"
:
hij
vergaat van verlangen,
naar dat oogerblik.
plaats is alzoo van groot gewicht om de vingerwijzing, die zij ons aangaande de Oud-Testamentische openbaring over de Eschatologie, en
Deze geeft
ook voor de Openbaring zelf als zoodanig. Er is namelijk eene mechanische opvatting van de Openbaring, die het voorstelt, alsof een mensch zoo maar een boodschap van God ontving, zonder te rekenen met de omstandigheden, waaronder de mensch ze ontvangt. Dat zou
is in
ook eene organische beschouwing, die op de geboorte hoe de Openbaring als het ware geboord er lijden over hem is gebracht, hoe dus hoe den mensch, wezen van het
eerst
den mensch de gesteldheid
niet veel zijn.
der
Maar
Openbaring
is
wijst en aantoont,
is
ingeschapen, die
hem
rijp
en ontvankelijk
maakte voor de Openbaring. Het geloof aan de onsterfelijkheid, aan de wederopstanding des vleesches, dat wij in deze merkwaardige plaats uit het boek Job vinden, wordt hier uitgeperst uit het diepste lijden en de grootsteellende, uit het hart van den man, die geworden is als een lijk. In Cap. 20 zien we, dat Zofar in zijne repliek Jobs betuiging zonder
dwaasheden zou gezegd hebben, aanneemt. is, maar zegt alleen, dat dit voor een godzaligen geldt en niet voor een zondaar als Job is. Job moet dus zelf maar toezien, of hij er deel aan heeft. De Openbaring, aan Job geschonken, maakte alzoo op den kring zijner vrienden geen vreemde indrukken; ook daar was
eenige Hij
verwondering,
vindt
er
alsof
niets in, dat
Job
hem vreemd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 804 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 804 Pagina's