Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 700
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Tertia).
10
Intusschen
den
in
Gods en
beeld
het
het
ligt
gelijksoortigheid
identiteit,
soonlijk
bestaan
verschil,
dat
aard der zaak, dat analogie
van
verschillend
gelijkheid
anders
iets
waar
en
;
is
dan
wij nu uit
het persoonlijk bestaan in ons concludeeren tot het per-
Gods,
daar
Hem
tusschen
dat wij
volgt,
rekening moeten brengen het
in
als het oorspronkelijke
en ons als het afgedrukte
beeld bestaat. Wij krijgen dus, dat 10.
God
in
het archetypische of primordiaire, terwijl in ons
is
het ecty-
is
pische of creatuurlijke 20.
ons bestaat het coëxistenfioneele, (mensch naast mensch bestaan
in
daarom hebben
Komen 10.
wij nu
aan de vermogens
toe,
in
dan hebben
Hem
wij,
het univoca.
wij ons af te vragen
:
hoeverre dat woord, dat denkbeeld van „vermogens'' kan worden over-
in
God den
gebracht op
op
door
met elkaar) maar
wij te rekenen
Onze kennis van God wordt door ons verkregen
Meere.
klimmen via analogiae
te
uit het
ectypische naar het archetypische,
in het oog houden woord „vermogens" niet maar zoo klakkeloos overbrengen van ons menschelijk wezen op God, maar vragen, wat er creatuurlijks aan dat woord kleeft, om, nadat wij dat creatuurlijke er afgetrokken hebben, zoo te komen
mits
de distinctie tusschen ectypisch en archetypisch
wij
en
het
tot
de voorstelling van deze zaak
moeten
29.
maakt
nl.
wij
maar behalve
is,
ook
waarin
Deze ad
distinctie in
de paragraaf ge-
dit,
in
rekening hebben
te
brengen het tempo-
van de zonde
hij
onze natuur hebben, en
in
bij
den wedergeborene moeten letten op het eigenaardig karakter,
als
wedergeborene verkeert.
drie subsidiaire distinctiën eischen een kort
1""'.
Men
creatmirlijk
van
den Heere.
karakter van onze tegenwoordige toestanden, de bijzondere qualificatie,
die wij tengevolge 30.
bij
oog houden de andere
't
dat wij er op te letten hebben, dat niet alleen wij coëxistent zijn en
God univocus raire
in
tot
bedoeld
er
is
meerder, en
woord van
Het
creatuurlijk
den eenen tempus heeft het
in
toelichting
met het zeggen, dat wij
maar temporair-creatuurlijk.
zijn
minder
wat
verstaat,
niet alleen
schrijdt voort
niet dezelfde
ge-
steldheid als in een anderen tempus.
Vergelijken teniporaire
eens dat, /
in
die
wij
nu
aanzijn
vcrkeeren
het
:
in
het
nieuwe toestand, de
andere
in
dit
met die gesteldheid van den mensch, zooals
hij
rijk
betreft,
waarin de mensch hier op aarde
der heerlijkheid, dan geeft de H. S. ons aan,
de toestand niet dezelfde
zal zijn.
12 leert ons, dat wij nu „kennen ten deele" en
temporeele leven
wijze
toestand,
verkeert,
zal
wat de vermogen Cor. 13
den
„gelijk
wij
al
ons eigen werd, vernietigd wordt, dat ^w);
xi''^vtsi;
gekend
zal
zijn",
zijn
wat
ingetreden,
die
yv'jia-n;
die
wanneer kennen op
wij,
zullen
nader geëxpliceerd wordt door
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's