Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 525
college-dictaat van een der studenten
Hfdst.
Het Bewijs voor de
II.
een
man aan wien
den
eil<,
boom
hetzij
om
eene
bijzondere
zet zich daar neder
hij
:
91
onder
daar bevond of op de wortels van den
zie zich
boven den grond uitstaken, evenals een wandelaar die Die man spreekt Gideon aan en spreekt van God
te rusten.
Blijkbaar heeft ook Gideon geen idee dat
van een ander Persoon.
als
was
niets bijzonders te zien
op een bank die
eenigszins
die
zich neerzet
Heilige Drieëenheid uit de Openbaring.
verschijning
te
doen
want volgens
heeft,
met
hij
vers 13 spreekt
hij
man aan met „mijnheer" zooals men eiken vreemdeling aanspreekt. Wanneer Gideon gemeend had dat op dat oogenblik zelf hem een wonder verscheen,
dien
zou
gezegd hebben „waar
niet
hij
vaderen ons verteld hebben"
:
hij
zijn
had
de wonderen des Heeren, die onze
al
dus geen denkbeeld van, dat
er
hij zelf
voor een wonder stond.
Nu de
hem" en
volgt in vers 14 „toen keerde zich de Meere tot
van het verhaal
schrijver
uit,
wat Gideon nog
eene
Goddelijke verschijning plaats greep
heeft
u gezonden",
jsten
pers
maar
spreken,
„heb Ik u
:
niet
en thans volgt er niet
;
:
„de Heere
gezonden", die man gaat nu
dat nu langzamerhand uitkomt dat
zóo,
spreekt alzoo
gemerkt had, dat hier
niet
hij
zelf
den
in
God
is.
Toch merkt Gideon dat nog niet aanstonds, zooals blijkt uit het wederkeerende „mijnheer" waarmede hij zijnen bezoeker aanspreekt maar daarop volgt dat Nu begint Gideon iets die man zegt in vers 16 „omdat Ik met u zal zijn". te ontdekken, de vraag komt bij hem op „hoe kan die man dat zeggen ?" En nu verzoekt hij in vers 17 een teeken van hem om de zekerheid te erlan;
:
gen, „dat Gij het
Gideons
daarom
brengen,
kome en
ik
lezen wij
des
Heeren"
:
blijkt,
Gideon
na
zegt
staf
heeft
als
(vers
bij
zich
vers 18
„Wijk toch
:
U
om
nu,
is
niet
offerande
De man
blijven zal.
hij
„de Heere" (vers
zat
—
uit-
nog steeds
maar nu in vers was het de „Engel
Eerst
etc.
te
van hier totdat
beter zou hier vertaald zijn „offerande"
verklaart, dat
toen
12),
aan mij verschijnt.
eene
ging dus nog uitwendig eenvoudig toe
bevolen
;
en nu „de Engel Gods",
16),
onder
terwijl
het d.
i.
vleesch
de
en
koeken
den en
eik
had gezeten,
zijn
terstond „ging er vuur
terzelfder
van
zijn
offer neer te
op eene rotsachtige verhevenheid van den bodem,
moet doen, en nu steekt die
dienst
aangebracht,
offerande",
—
in
dat Go(/ in
i,
ontdekking
dat de schrijver van het verhaal denzelfden persoon bedoeld heeft.
wordt
altaar
die
„de Engel Gods zeide tot hem"
leggen op den rotssteen, die
mij spreekt", d.
verder
hij
man
die
eik, alles
20
waaruit
met
mijn geschenk
brenge", waarop
onder den
die
drang
zijt
eerste
tijd
de
Engel
op
des
reiziger die daar
staf uit uit
met een
naar hetgeen Gideon
de rots en verteerde de
Heeren
„bekwam
uit
zijne
oogen".
En nu
geworden
staat er in vers :
„Ach Heere,
22
dat Gideon zeide, nadat
Heere,
daarom,
omdat
ik
hem
alles duidelijk
was
eenen engel des Heeren
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's