Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 330
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Prima).
312
Hand. 17
In
27 hebben wij de bekende rede, door Paulus op den Areopa-
:
Deze woorden zijn niet gericht Tot hen luidt het
gus gesproken. heidensche
tot
Bovendien
wijsgeeren.
de
brengt
deze
apostel
uitspraak
de
tot
„Gij
:
als
niet
de kerk, maar
tot
'dyist,
van Gods geslacht."
zijt
eene openbaring van
hemzelf voort, maar hij ontleent ze aan den heidenschen dichter Aratus, met Anklang aan diens woorden. Hier wordt dus niet gedoeld op de inwoning des Heiligen Geestes, maar op de adessentia Dei. Nu wordt gezegd, dat de mensch als zoodanig zoekt naar God, of hij Hem ook mocht vinden en tasten {\>-n'/.x d.
<p/ia-£(xy),
i.
vlak
iets dat
ons
bij
met de handen voelen. Zonder dat woord
is,
„om „zoeken" en „vinden" in geesteGods Woord, Gods dienst enz. vinden. Dat zou met lijken zin te verstaan van de omnipraesentia Dei niets te maken hebben. Maar met „tasten" wordt de zaak heel anders. Gods nabijheid is zoodanig, dat als men zichzelf betast, men God betast dat als wij om ons heen tasten, wij op God de hand leggen. Paulus zoekt God niet in de verte, maar ervaart zijne onmiddelijke tegenZOU men
'^ri'A'X(pr,o-cixu
geneigd
allicht
zijn
:
;
Dat
woordigheid.
„Hoewel
Hij niet verre
kan men
niet betasten.
onmiddellijk
vlak,
ver is
is
van een
de eenige goede uitlegging
dit
Om
Hem
leven wij enz."
wordt en waar
hij
is.
te
zich
van ons" Natuurlijk, wie ver
God
is
af
is,
het noodig, dat
hij
daar Hij toch niet
niet,
moeder vlak
zijne
bij
hem
vers 28 spreekt nog duidelijker.
uit
beweegt en
het volgende
uit
het onze schuld, gelijk het de schuld
is
wanneer
valt,
blijkt
kunnen betasten,
Tasten wij nu
van ons, dan
het water leeft, en zich
in
iegelijk
iemand
ons
nabij
iegelijk
van een kind, dat het
in
van een
is
is,
is,
ook heenwendt
staat.
„Want
Gelijk een visch
en daardoor door dat water omringd
altijd
water vindt, zoo ook vinden wij
overal en altoos, waar wij ook heengaan. God.
Hierin
de omnipraesentia
ligt
Dei krachtig uitgedrukt. d.
Van Sociniaansche en RemonstrsLntsche
ketterijen,
zï]de, in
éen woord van alle ondiepe
wordt hiertegen nu opgeworpen, dat toch de Schrift het tegendeel
Psalm 115 ; 3 : „Onze God is toch in den hemel" maakste gebed in de aanspraak waar duidelijk staat, dat God is, maar hierboven woont. Cf.
bijv.
;
Die
ik
hoe beide waar
begin met er
die zeggen dat
God
niet
in
ligt
op
God
den
koning alleen op plaats
moeten wij
tegenwerping
duidelijk worde,
ook Catech.,
vr.
zijn troon of
de
1
niet
Kon. 8
;
27.
omnipraesentia
Zijne voeten rusten niet
;
Zoo ook
zijn
God
in
de Schrift
zijn, die
Jes.
voetbank is
opdat het ons
zien,
evengoed als er plaatsen
ook daar, waar
omnipraesent
121.)
den hemel woont, er andereplaatsen
hemel woont,
tegelijkertijd
en op de aarde.
(Cf.
te wijzen, dat,
in
onder de oogen
helder is.
leert.
en het allervol-
;
66
is
tegelijk én
:
zijn
zeggen dat 1.
Is
een
? In die laatste in
den hemel
op een stuk van de aarde, maar heel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's