Dictaten dogmatiek. Locus de Providentia, Peccato, Foedere, Christo - pagina 276
college-dictaat van een der studenten
;
LOCUS DE PeCCATO.
26
niet
in
de
verhouding tegenover Satan.
verkeerde
Adam
tusschen
Gods, het beeld van Christus en
Gods
wil gebruikt of tegen
De 3
:
Adam
zijne
Eva
Adam Eva
passief zou zijn.
afgod voor zich zetten. Het lag zijn invloed
Nu
gemeente; en
evenals Christus zijne gemeente actief,
keert
daarmede
nu kon
dit
of naar
Gods
in
niet
leidt,
leidt.
Het lag
omgekeerd, in
Gods
(zie
ITim.
ordinantie dat
Adam moest haar niet als een speelpop de van God geschapen verhouding, dat
of zij
moest ondergaan.
Adam
het
uitgesproken
de verhouding
in
wil misbruikt.
rechte verhouding was, dat
16)
Er lag
en Eva een mysterie; de diepste gedachte van het Uefdeleven
de
diepe
rol
om
mysterie
neemt de passieve houding aan en wondt
hij
;
der goddelijke
liefde,
zooals dit
in
't
huwelijk
lag.
Zich aldus door Eva te laten leiden en verleiden zoeking, zwaarder dan wij ons denken kunnen.
was voor Adam eene
Stel u
ver-
voor met één persoon
op aarde
te zijn, die alzoo 't brandpunt van alle uwe liefde is en dat waar nog geen zonde was en Eva dus in al hare heerlijkheid voor hem staat, en wij begrijpen iets van de zwaarte der verzoeking. Maar nu Adam zich eenmaal leiden liet en viel werd ook de liefdeband in ;
er
zijn diepste 8.
wortelvezelen
De zonde
is
nu
uit
gewond en
uiteengerukt.
—
de Engelenwereld ingedrongen
in
de vrouw, door de
vrouw in den man en daarmede is het gansche menschelijke geslacht gevallen. Maar juist op dat oogenblik, dat Adam valt is de vijand Gods in het centrum van het paradijs Gods toegelaten. Het hart van den mensch is als het ware het centrum van de webbe, van waaruit de mazen zich naar alle zijden van Hij
het paradijs uitstrekken. Heerscht
ook nog over de geheele wereld
heerscht Satan hij
met
recht
in
dat centrum, dan
den
naam van
;
is
God nog in dat centrum, dan heerscht maar omgekeerd, is dat ééne verraden, ook het geheele rijk verloren en draagt
xp^j^wj tzI> y.bTfxo-j.
—
ommekeer in de orde der zaken. Het wezen en de heerlijkheid Gods geheele schepping
;
zij
doordrong
al
is
Van nu
af
aan een geheele
de harmonie. Er was harmonie
de deelen en maakte die
tot
in
de
een organisch
was er harmonie tusschen vleesch en geest tusschen vrouw mensch en dier in de natuur zelve (de planten hadden wel bloemen maar geen doornen). Het was één goddelijke harmonie, die alles rythmisch te zamen verbond. Maar dit alles hing nu af van het centrum, van het ééne hart van Adam. Zoolang God daar heerschte bleef die harmonie maar zoodra was dit niet meer zoo of ook alle harmonie was verdwenen.
geheel.
man
en
In het paradijs ;
;
;
Later zullen wij de gevolgen der zonde uitvoeriger behandelen.
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 1028 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 1028 Pagina's