Dictaten dogmatiek. Locus de Sacra Scriptura, Creatione, Creaturis - pagina 645
college-dictaat van een der studenten
§
De mensch
1.
3e
onderscheiding van de engelen en de redelooze natuur.
in
hebben ook dezen
Wij
Dogmatiek;
d.
omnis
i.
mag
Dogmatiek
men
locus
locus
mensch
den
behandelen
te
een locus
als
Dogm. repetendus
in
van
de
In
de
Deo.
a
est
5
beschouwen alsof hij het motief van het onderzoek was. Al is de mensch in dezen locus het object, toch moet men niet den mensch, maar God laten domineeren. Men laat den mensch domineeren, wanneer men, gelijk Schleiermacher doet, onder Dogmatiek verstaat de beschrijving van „das fromme Gottesbewustsein" dan wordt God accessoir, het gepostuleerde, de mensch de eigenl. persoon,
om wien
gaat
het
zweven
op
Dogmatiek
vleugelen
weet en
één,
gangspunt
moet dus ook
Zoo komen waartoe
ad
ook
vraag
de
door
hier
regeld
niet
aanzijn
den
in
worden
Maar
?
van God
mensch
door den
uit,
:
zelf,
en Modernen
Ethischen
der
aard
is
Mededeeler dat
mensch
die
;
onze
is
de
in
en
;
het
propositio Dei,
creavit propter Se
dat
Uit-
dat
in
etiam iinpium
;
en bestemming wordt ge-
lot
maar door den Souvereinen God.
is juist,
de
is
God.
„Waartoe" ligt wezen des menschen. Zoo
aanzijn
en
God
gaan,
te
de wil en de bedoeling Gods.
:
de
recht
de kruik, waarin het water
en
;
en wordt alles een
de Dogmatiek geen
einde
Geheel des menschen persoon,
diem mali."
fout
zijn
is
het
Dan
een
is
Deus omnia
„quod
:
in
loor
als
vertelt
Wat
:
den
naar
Er
ons
dezen locus
vraag
de
tot
in
God den mensch
riep
dan tevens gaat
wij
het
te
ten
wij,
overgegoten.
Meerdere,
die
subjectiviteit.
moeten
door God, maar God door
niet
objectieve
de Bron, den mensch
als
wordt
Bron
die
het
der
Daarom
meer.
beschouwen
steeds uit
de
dan gaat
;
mensch
wordt de
dan
;
mensch bepaald
den
zoo
niet
zij
het motief van
En de
menschen
's
mensch stellen. De pottenbakker zegt niet: Wat wil 't leem wat wil ik er van maken ? De idee van den mensch ging
God
en dus vervalt de mogelijkheid van eenig recht tegenover
gelden of iets tegen Gods doen in te brengen. God is tegenover den mensch absoluut Souverein. Wilde God alle menschen verpletteren, niemand zou met recht kunnen vragen: Waarom?
te laten
4e
Wat
God met den mensch, waartoe
wil
de Heere alleen aan dat
verder
God die
men
wat
niet-God,
van
af,
stof
zou
dat
Hem
is
af.
men zou is
alle
uitersten
omtrek,
kunnen niet
als
God.
Nu
koud,
hard
en
een
zonder
God
beweging weg. peripherie
vandaar -teruggaande
hij
is
God of
er
een
God
is
om Hem, dan krijgen
wij
wereld
Die bij
God
het
is
niets
dan
God
er iets
tegenover
object
dichter
is
Als
dan ontbreekt
granietsteen ;
—
geschapen ? is,
„niet-God".
als
maar
stuk
is
Hem
schept
definieeren
zeggen
bezieling
buiten
niets
één-soortig,
Een
haast
men nu de wereld
er
van
zelfbewustzijn
het
zich,
zoodat
is,
nu,
of gaat
verst stof en
van uit
het middelpunt, denkt ligt
de steen op den
dichter
bij
God de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 776 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 776 Pagina's