Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 100
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Prima).
82 van
af
brengen
te
denkwet, maar dat
de zaak heel anders
;
Godsbesef samenvalt
mijn
geredeneerd
„Waar
te
natuurlijk,
eenmaal, op grond van den sensus
ik
insita, zelf
God
;
dan combineert die wet
natuurlijk,
ook de conclusie:
tentie mijn eigen zielsbesef getuigt en die
bewezen heb, dat God
sensus divinitatis, en dat
kom
tot
bestaat,
nu
ik
is
de
in
rijst
niet
door dat kosmologisch dit
vaststond
in
van God bekennende en
de wetenschap, dat die God, dien
ik als
den
belij-
de absolute oorzaak
de absolute oorzaak van den kosmos. Tot
besef
kom
maar
niet voor de exsistentia Dei.
dit
T)us\sqv wel een bewijs geleverd
dan door de theologia acquisita.
ik
en
insita,
God, van wiens exsis-
van heel mijn bestaan,
maar wel, dat
ik nu, die exsistentie
van mijn bestaan gevoel, ook
die is
de auctor
moet ook wezen de auctor mundi. Maar dan gevoelt gij ook tevens, dat
dende,
om-
insluit,
nu de vraag op mij komt aandringen
en
kosmos?",
den
cognitio Dei acquisita onmiddellijk
argument
voel en apprehendeer,
vaststaande, dat zielsbesef met
zielsbesef
de causaliteit zich onmiddellijk met de cognitio Dei
van
zóo beschouwd, komt
en dus over de exsistentia Dei met mij niet meer
;
worden
van
causa
de
is
uwe
uit
en wanneer dus, op grond van de exsistentie van het
Eeuwige Wezen, voor mijn eigen behoeft
wat voortvloeit
iets,
eene eeuwige, oneindige macht, die mij
als
bezit
En
.
Wanneer
te staan.
wel apprehendeer
ophoudt en
niet
is
op grond van de cognitio Dei
divinitatis,
sluit,
dat
eene conclusie, getrokken uit de combinatie van den sensus
u met het causaliteitsbegrip
divinitatis in
en
maar,
alleen
;
is
Integendeel, die exsistentia Dei
en gegeven was ook de exsistentia mundi, en
uit die
was gegeven,
twee gegevens concludeer
krachtens de causaliteitswet, dat de auctor van den kosmos geen ander kan
ik,
wezen dan die God, van wiens exsistentie
De tegenwerping, moeten hebben, valt dan weg. Want bewust ben.
luut
voel
als
welke
volgens zijn
aan
grond
den
aan
denk,
wetten,
die
Hij mij
ik
en
die
onderworpen
ik mij
dat
door den sensus divinitatis abso-
ook
die
God weer
eene causa zou
als ik in mijn eigen zielsbesef
God
ge-
de oorzaak van mijn denken en van de denkwetten, natuurlijk,
Hijzelf heeft,
dan kan die God
onderworpen
zelf nooit
aan mij gegeven en mij ingeprent en waar-
maar vinden
die wetten in
God
hare absolute
grens.
Men
ziet,
dat zóo
komt ons innerlijk besef God is De argumentatie van het kosmologisch Maar zij strekt niet ad probandam exsivolle waarde. Maar ik heb verband te onderstelt zij het bestaan Gods.
volkomen
de oorsprong en oorzaak bewijs
in
blijft
stentiam Dei
;
hare
veeleer
brengen tusschen deze twee causa
mundi,
identiteit
die
tot zijn
recht
:
aller dingen.
:
God, van wien
ik
gevoel, dat Hij bestaat, en de
door de denkwet wordt gepostuleerd.
tusschen God, dien
ik
gewaarword
in
den sensus
Het
is
derhalve de
divinitatis,
en
God
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's