Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 203
college-dictaat van een der studenten
§ zoodanig eigen, maar dat
zelf,
den
in
De nominibus
6.
En zoo ook
om
hunne
den
leven.
te
hebben
ons wel voor
er
God den
brengen op
te
en
steling
Bij
te
mensch
dien opzichte
weg
somatische natuur èn
den
in
somatische
te
der
staat
heeft,
ik
en zijne natuur.
er
is
Maar
wij
is
als die
wor-
van de zonde.
is
Om
is
allen twijfel te
ik
op een verkeerd gebruik van onze spreek-
om
onder natuur iemands physiek, iemands
èn
rechtheid
nu
èn
het natuurlijk eisch, dat altoos,
is
den staat der heerlijkheid, die
in
worde aan den geest des menschen.
onderworpen
„physiek" voor „natuur"
zijn
Zoo genomen,
te verstaan.
natuur
overeenkomstig
onze natuur zelve gegrond was, maar het
in
nemen, wijs
aangewend
zich
die
juist
Dat zou alleen denkbaar wezen,
ondenkbaar en onmogelijk, nu ze gevolg
taal,
maar
den gevallen staat echter
in
wachten, deze ook maar een enkel oogenblik over
Heere.
tegenstelling
die
zullen straks, in den staat der heerlijkheid, niet in strijd met,
tusschen
worsteling
en
antinomie, strijd
het spreekt wel van-
der rechtheid de mensch zijne natuur niet bestrijden,
de heiligen geroepen worden, natuur
Want
een gevolg van de zonde.
is
staat
maar volgen moest.
185
Dei.
eigenlijk een onzinnig zeggen, dat wij niet
Maar mogen
aanvaarden, waar wij belijden, dat de Zone Gods de menschelijke natuur heeft
Dat spraakgebruik geeft
aangenomen.
Tot de natuur-
dualisme aanleiding.
tot
behoort niet alleen het lichaam, maar het behoort evenzeer tot de menschelijke natuur,
om
een wil en intellect
te
hebben, teneinde daarmede over zijne soma-
tische aandriften te heerschen. In dat
verkeerde spraakgebruik schuilt eigenlijk ook de oorzaak, dat
tegenwoordig zoo
tegen
om
is,
men eenmaal natuur op
vat
geene natuur
God
in
van de Goddelijke natuur
den
in
denkbaar, want
een zuiver spraakgebruik moet
bij
Als
wij
ook
in
sterven,
leggen
wij
men er Want
van ons somatisch leven, dan
zin
God
heeft
niet af,
blijft
onze
is
er
Maar
geen somatisch leven.
men wel zeggen dat God eene natuur
onze natuur
den staat der afgescheidenheid
Daarom
te spreken.
heeft.
ofschoon wel ons lichaam
de menschelijke natuur
ziel
tw
maar ook eene (piiTic rojv 'y.yyk'A'jiy. En eerst als wij ons dit goed indenken, dat ook de engelen, die toch enkel Trvi^fu^x zijn, eene natuur hebben, en dat ook de afgescheiden eene natuur hebben, zullen wij kunnen verstaan, in welken zin er bij f^%y-'behouden.
is
er
ook
eene
niet alleen
(pia-ic
den
Heere van eene natuur kan gesproken worden.
God
niet in tegenstelling
evenals tot
in
hunne
Eene
den (pCa-'.^
andere
staat
met
der
zijne natuur
heerlijkheid
xrr,pi'^v,
Immers, rh wsLfix
genomen, maar rh
Trutüfix is
'n
is
bij
(p-^(7cu',
het pneumatisch leven der gezaligden
behoort. tegenstelling
is
die tusschen
den staat der rechtheid leefde
wat
uit
's
menschen natuur zelve
af op den mensch wordt uitgeoefend. In Adam secundum naturam, maar er werkte ook
opborrelt en de werking, die van buiten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's