Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 103
college-dictaat van een der studenten
§ Veel eerlijker
b.
—
zegt deze
De exsistentia
3.
de wijze, waarop Descartes
is
de idea Dei.
„is
Dei.
te
85
werk
gaat.
„In
ons"
—
zoo
Die idea Dei kan niet aan ons, menschen, ont-
omdat ze grooter is dan de idee mensch. Zij kan niet uit onszelven gekomen zijn, dus moet ze van buiten af in ons zijn gebracht. Datgene, wat van buiten af tot ons komt, moet komen uit iets, dat grooter is dan de leend
zijn,
God zelf als idea sui 'm ons zijn 'ingeom de groote kwestie, waar
mensch, en dus kan de idea Dei alleen uit
Hier hebben wij dus eene oprechte poging,
prent."
om
het
gaat,
niet
en
op den voorgrond
die
van Anselmus
Nog
c.
maar
Deze argumentatie
te schuiven.
is
even
spreken
uit te
eerlijk als dat
den smokkelhoek komt.
Er
:
omdat ze de
minder,
veel
geeft
thema was
Zijn
verbergt.
uit
eene latere poging gewaagd door Victor Cousin.
er
is
eenvoudiger,
verbergen, maar ze integendeel duidelijk
te
„het eindige"
bestaat
Deze
nog
is
eigenlijke kwestie
weer
dat kan niet bestaan
;
zonder „het oneindige". 2.
Deze
kelijk
te
argumentatie kunnen wij laten rusten, want die
laatste
De
weerleggen.
oneindige
komt door
negatieve
positie
fout
En
negatie.
nooit
komen
tot
uit
men van
dat
hierin,
ligt
gemak-
is
het eindige tot het
den aard der zaak kan men
deze
uit
eene thetische conclusie voor het bestaan
van God.
Maar wel
argumentatie heeft niet lang stand gehouden.
Cousins
heeft die
van Descartes lange jaren de geesten ingenomen. Laat ons eerst zien,
Ontologie
dit
bewijs het ontologische noemt.
dat deel der wijsbegeerte, dat onderzoek doet naar het wezen
is
Men
dingen.
der
waarom men
spreekt ook wel van Substanzlehre.
Bij
dat onderzoek nu
moet men uitgaan van den schijn der dingen, zooals ze zich aan ons vertoonen,
en
door
te
komt
het
teruggaat
tot
op aan,
er
Dat
dringen.
wil
om
zeggen,
van den schijn
op den wortel, zoo moet men ook
tooning terug tot op het wezen der dingen,
de
is
tot
(pxivbfjLiyx
Ontologie
is
ons denken een
de
bleem
twee
die al
Er
dan
^xvj'z^vjov,
zoodat ook
is
uit
van de uitwendige ver-
-jo-jf^vjov
en
voorzoover het naar buiten
hierbij
de vraag
rijst
:
niet geheel juist
rapport met het (pxrAixivou.
zijn
treedt,
een phaenomenaal
Waaruit komt dat denken op
Zoo komen
is.
Nu
;
wat
wij te staan voor het groote prois
eene wereld van het
zijn
;
ons vanzelf voor de vraag, of nu die wereld der gedachten
Wanneer gij deze thesis in de wereld van de gedachten opkomt uit die van het
die wereld van het zijn opkomt.
generali toestemt, dat zijn,
hier
wezen der dingen
de bloem en vrucht
zooals Kant het uitdrukte, van
eene wereld onzer gedachten en er
stellen
niet
of,
uit
ofschoon deze laatste benaming
waaruit het ontspruit?
oio-i'a, :
-jz-jiMivx,
dus het zoeken van het
verschijnsel, is
de
tot het
men van
gelijk
nl.
dan redeneert Cartesius verder
:
Welnu,
er
is
ontologische samenhang
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's