Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 506
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Altera).
72
waren
Wezen
de 3 Personen van het Goddelijl<
indien
maar dat
;
hier
is
niet het geval
;
onderscheidenlijk verschenen
er verschijnt slechts éen Goddelijk
twee anderen nemen eene dienende plaats in en zijn slechts de dien eenen die boven hen uitmunt. van gezellen Hier is dus slechts een schijnbewijs aanwezig voor de Drieëenheid, en aan
Persoon
de
;
schijnbewijzen hebben wij niets Alleen
dit
kan
;
daarvoor
is
het mysterie veel te heilig.
deze belangrijke plaats geconcludeerd worden,
uit
nl.
dat er
Wezen; v/an{terwi\[ die Persoon wordt er tevens van Hem Abraham, spreekt met en wordt openbaar aarde op plaats zal hebben door Gomorra en van Sodom bijgevoegd, dat de verwoesting
is
„D iffe re n zirung"
eene
God
uit
den hemel
;
in het Goddelijk
dus dat er tusschen
Persoon onderscheid
en aan Abraham
is,
God in
in
Num. 6
:
:
22
beeld
den
enz.
vertoonende
hier te doen met een zegen, die door Aaron, als van den eenigen Hoogepriester, op het volk gelegd moest worden,
hebben
Wij
in
God den Heere aangaande eene
Wezen.
wij thans eene andere plaats en wel
Beschouwen het
het Goddelijk
den hemel en den verschenen
deze geheele wondere verschijning
eene inleidende openbaring wordt gedaan door Differenzirung
uit
Naam
des Heeren, en op Zijn hoog bevel.
[Iets soortgelijks als waarvan ons hier gesproken wordt, vinden wij ook bij den Heiligen Doop ook daar wordt de Naam des Heeren gelegd op het zaad wij hebben hier dus te doen met eene heilige acte, die niet hierin der kerk bestaat, dat men met zeker gebaar of op deftigen toon iets zegt, maar die hierin haar heilig karakter vindt, dat zij door God geboden is, en wel juist in dien bepaalden vorm, en dat Hij alleen machtig is om uit de volheid Zijner ;
;
genade dien opgelegden zegen ook te realiseeren. Dat die realisatie niet buiten het geloof omgaan kan spreekt als vanzelf dat toch is als 't ware de mond waardoor de zegen Gods genoten wordt door het schepsel.
Met den zegen die door den Dienaar des Woords op de gemeente gelegd wordt in den Naam des Heeren, staat het evenzoo het geloof aan dien zegen moet telkens weer gewekt of versterkt, anders versterft het, en gaat het allengs bij de gemeente weg. Bestaat voor leeraar of gemeente die zegen slechts in den vorm, dan is het uitspreken ervan comediespel en geen heilige realiteit, dan verloopt men in beallerlei ceremoniën en holle klanken, waarin de hiërarchie heil zoekt schouwt men den zegen als door God zelf verordend, dan komt men te staan voor heerlijke, geestelijke realiteit, dan wordt het verlangen weer levendig om dien zegen dien Hij Zijner gemeente oplegt door den Dienaar, in het geloof te mogen ontvangen, en door Hemzelf te zien verwezenlijkt.] ;
;
Daarom begonnen alles afhangt
wij in dit hoofdstuk te lezen
van dat „En de Heere sprak
tot
van vers 22
af,
Mozes zeggende."
omdat
hier
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's