Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 441
college-dictaat van een der studenten
Hoofdstuk dat
werd dan ook
in
ons dogma
personen"
drie
gelijl<
Het Dogma de Sancta
I.
beweerd.
niet
elk persoon noodzakelijkerwijs een eigen
gaat
En dat
identificeren.
persoon een wezen
Hoe hebben
heeft
is,
de formule
In
minste absurditeit,
de
niet
schuilt
wezen
heeft, tenzij
men gedaan. Omdat
iieeft
men
7
Trinitate.
„Een wezen
:
is
dat
dan,
tenzij
men persoon en wezen
bij
ons, menschen,
dat ook overgebracht op God.
Ten
ell<e
onrechte.
dan de verhouding tusschen persoon en wezen te denken ? Als wij over het wezen van den Heere onzen God gaan spreken, hoe zullen wij onszelf daar dan rekenschap van geven ? AWeen door vergelijkingen. Wijzelf 3.
zijn
wij ons
wezens, en er
zijn
wezens om ons heen, en
er
is
het
wezen Gods
zoo
;
onstaat er vergelijking.
God
Behoort nu
ons
bestaande
tot
die wezens, zooals wij zelven zijn, of zooals wij ze buiten
vinden ?
analogie tusschen
Is er
Gods wezen en
het onze, of
tusschen Gods wezen en de wezens buiten ons, zegt bijvoorbeeld de dierlijke?
Het antwoord op deze vraag
ligt
opgesloten
in
de belijdenis van de schepping
des menschen naar den beelde Gods. Hieruit volgt eo ipso, dat er analogie
is
tus-
schen het wezen Gods en ons menschelijk wezen. Het beeld heeft immers analogie
met het Urbild. Verdeden wij de ons bekende creatuurlijke wezens dus
in
twee
menschelijke en niet-menschelijke wezens, dan moet de kennisse
categorieën,
van het wezen Gods gezocht langs den weg van de analogie met het menschelijke wezen, niet langs dien van de analogie met het niet-menschelijke wezen.
Wat lijke
is
het nu, dat ons menschelijk
wezen
van de niet-mensche-
wezens onderscheidt ? Dat wij geluiden kunnen maken, ons kunnen bewe-
nen, enz. ? Neen, dat
kunnen de niet-menschelijke wezens
men de gegevens van Darwin, dan wordt en
schelijk
het
dierlijk
geen overgang sprake dellijk
dat
;
de
heel
is.
;
is
leven. Hierin zijn wij,
schepping, dat wij personen
overige
veelal ook.
En neemt men-
het onderscheid tusschen het
wezen op deze punten zóo gering, dat er Maar wat wèl onderscheidt en dat voelen
ons persoonlijk
is
hebben. Dat
nu
ten principale
zijn
schier van wij
onmid-
menschen, geïsoleerd van
en een persoonlijk bestaan
de nota necessaria van ons menschelijk wezen. En moeten wij
naar de analogie van ons wezen tot het wezen
Gods doordringen, dan
is
hiermede uitgesproken, dat wij hei leven Gods niet onpersoonlijk kunnen nemen.
Het leven Gods komt,
dan
is
er
geen
is
een persoonlijk leven.
religie.
Want dan
gemeenschap met God mogelijk
;
is
er
Als dat niet tot zijn recht
voor ons menschelijk hart geen
dan vinden wij het mystieke verkeer
niet
mogen wij ideeën en aspiratiën hebben, maar de verborgen omgang met God is weg dan is er geen tweeheid en dus ook geen band der religie meer. Maar stellen wij naar de analogie van ons leven ook in God een persoonlijk leven, dan is het mogelijk om tot de religieuse kennis van Gods bestaan door dan
;
te dringen.
Dat
is
degrootewaarheid, die de Unitariërs tegenover het pantheïsme
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's