Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 526
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Altera).
92
gezien heb van aangezicht tot aangezicht", waarop weer
de Heere
hem
tot
sprai<
„Vrede
:
zij
in
23
vers
volgt dat
Dit laatste, het blijkt duidelijk,
u".
wordt
meer gesproken door dien man, maar is inspraak van God in Gideon's en dus zelfopenbaring Gods aan hem, zonder tusschenpersoon.
niet hart,
Op
40.
wijze viel volgens Richt. 13 zulk eene verschijning ten deel
gelijke
aan Manoach en zijne huisvrouw. Die beide verschijningen, aan Gideon en Manoach zijn daarom zoo uitermate leerrijk, omdat bij beide alles ontbreekt
om
wat de strekking kan hebben
een bijzonder karakter aan de zaak
te verleenen.
[In de heilige boeken van Chineezen en Indiërs vinden wij ook vaak gewag gemaakt van verschijningen van hoogere wezens aan de menschen, maar de
zijn altijd potsierlijk, vol van ophef, uiterst fantaszoo inbliksemende in de realiteit der dingen, dat alle continuïteit en verband met de werkelijkheid geheel ontbreekt. Hier echter is de toedracht der zaak juist eene gansch gewone en bijna natuurlijke.]
verhalen van die apparilies tisch,
Om
de momenten
te vatten
waarop
hier
moet
gelet, zullen wij
ook
Nu
lezen wij invers
3—6,
ver-
dit
haal even nagaan.
De vrouw van Manoach was
kinderloos.
Engel des Heeren haar verschijnt en haar belooft, dat
zij
eenen zoon
en aanstonds krijgen wij hier weer diezelfde 2 momenten, des
Heeren
verschijnt,
begint
die
met
God
over
Persoon, „dat knechtje zal een Nazireër Gods
De vrouw een
profeet
spelling
die
gezicht
zeer
tot mij"; dat het
hij
vreeselijk
zij
:
„Er
kwam
wij
man Gods
een zij
voegt er tevens
wat volgens hetgeen
was",
baren
zal
;
dat er een Engel
spreken als een ander
te
een profeet was, maakte
haar had gedaan, maar
een
zijn".
man
gaat heen, en zegt tot haren
—
nl.
d^it
op
bij
uit
—
de voor-
dat „zijn aan-
vroeger hieromtrent
zagen, beteekent, dat zijn gelaat schitterde.
Die
van
den
engel
des
andere menschen die hem zagen,
voor heid
verschijning
;
aan
zijne
om
kleeding
was
Heeren was voor de vrouw, evenals als die
niet te zien
van eene vreemde persoonlijk-
vanwaar
hij
kwam;
alle
gegevens
maken tot welke landstreek hij behoorde de vrouw van Manoach vraagde hem ook niet naar zijnen naam, en hijzelf sprak daarover ontbraken
niet,
Na
zooals het
blijkt
nog dat
;
uit
vers
vrouw gehoord te hebben, bidt Manoach tot den man Gods mag weerkomen, volgens vers 8 ; ook hij denkt dus
hij
met een creatuur
zien wij dat de Engel
veld Zij
6.
verhaal van zijne
Heere, dat die
9
te
uit
te
doen
heeft.
Die bede wordt verhoord
Gods weer aan de vrouw
verschijnt terwijl
;
zij
in vers in
het
is.
roept
haren
nog steeds dat
man
hun
(vers 10),
een
deze volgt haar en beiden veronderstellen
creatuurlijk
wezen verscheen, zooals
blijkt
uit
haar
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's