Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 645
college-dictaat van een der studenten
Hoofdstuk
Nu komen :
De
III.
wij tot Ps.
drie
Personen
enz.
B.
Dc Tweede Persoon.
211
2:7.
Daar wordt na het 6^ vers de Messias sprei<ende ingevoerd met het: ïj'm^»^ Dvn >:« nnN ^jn '>bn -idn np' oh bit nnsDX
Deze
plaats verdient eene nadere exegetische observatie.
woorden zóo geëxegetiseerd, dat de eeuwige generatie er de commentaren van Keil en DeMtzsch wordt de eeuwige deze woorden niet gezocht; vrij algemeen is tegenwoordig de
Calvijn heeft deze niet in
ligt,
generatie
en ook
in
in
verklaring van dezen tekst dan ook zóo dat
Anderzijds het
uit
hebben
tijdperk
na
de de
men
hierin
daaromtrent niets vindt.
Roomsche, Gereformeerde en Luthersche theologen Reformatie bijna unaniem deze woorden opgevat als
openbaring der eeuwige generatie.
Waar nu
zaak
de
zoo
staat,
van
het
is
belang deze quaestie dieper
te
onderzoeken.
Onze oude Gereformeerde theologen na Calvijn hebben metterdaad ten opvan deze plaats eene verkeerde methode op de Heilige Schrift toegepast. Men nam deze woorden op zichzelf, buiten verband met het voorafgaande zichte
en volgende en met de overige plaatsen der Heilige Schrift, waar dienaangaande
gesproken wordt, en ging nu
uit die
op zich
zelf
staande woorden de eeuwige
generatie opbouwen. Dit deed Calvijn niet, en die
hierin niet voorging;
bij hem moet dan ook de betere methode geloofd, maar daarentegen heeft hij van de andere zijde den
dieperen zin die erin
bedoeld zijn,
en
ligt te weinig in het oog gevat. Hij zegt, dat hier David deze woorden, evenals de geheele Psalm, van David gezegd dus de uitdrukking r\m ^jn hetzelfde beteekent als Ps. 89 28
dat
is,
dat
:
„Ik
zal
aarde", tot
hem
ten eerstgeboren
terwijl
dan
ook
zoon
'j^m^'^
stellen,
ten hoogste over de koningen der
Dvn beteekent
:
„heden
heb
ik
u aangesteld
koning."
Wat
nu de manier waarop men behoort
te werk te gaan ? moet men beginnen met zulk een Psalm te nemen in het natuurlijk verband van zijnen tijd, van zijne omgeving en van den persoon die hem is
Eerst
heeft gedicht.
Vraagt men nu of er eene bijzondere tijdsopgave het begin van den Psalm,
opmaken en zeggen
:
waar sprake
is
is,
dan verwijzen wij naar
van de koningen der aarde
die'
zich
„Laat ons hunne banden verscheuren en hunne touwen
van ons werpen".
Daarop
staat er dan, dat Hij, die in
den hemel woont, lachen
zal
en zeggen
„Ik toch heb mijnen koning gezalfd over Sion, den berg mijner heiligheid". Als wij nu die woorden nemen, zooals een Israëliet in de dagen van David 40
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's