Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 699
college-dictaat van een der studenten
Hoofddeel beeld
het
schen
§1.
V.
Introductie.
Gods in die schepping naar Gods beeld ligt dus het rapport tusEeuwige Wezen en ons. Kon ik mijn portret denkend maken, dan ;
het
zou dat portret van mij zeer veel
af
weten
;
wuste beelden van God, en kunnen tevens
God
denken, ook
te
in
Als
nu
wij
duwing
het
om
zakelijkerwijze
actie
tot
God
bezat,
op
ons
ons zelven
ons nood-
bij
factoren van kennen en willen en
de waarheid, dat er kennen en willen ook
tot
in het
bestaat.
dan
kan
Daar wij nu verdorven leert
om
de mogelijkheid
men dan welk
val en vraagt
antwoord hierop
het
anders
niet
gevoeld heeft te staan tegenover een God, die denkt en
hij
wij zijn be-
;
ons vinden, dat ectypische afscha-
bij
komen de
te
Neemt men den mensch voor den met
met ons
bestaan Gods, dan vinden wij
persoonlijk
klimmen wij vandaar op
Eeuwige Wezen
het
is
denken.
een persoonlijk bestaan
van
is
zoo
bij
willend Wezen.
komt de openbaring ons
zijn,
van plaatsen den Heere onzen
tal
Die plaatsen nog nader
te
zijn
rapport
dan
hij
dat
dit,
wil.
hulpe en de H. S.
God kennen
denkend en
als
zeker overbodig, schier
in te zien, is
elke bladzijde geeft er ons het bewijs van dat de Openbaring der Heilige Schrift
datgene en
't
Abbild
verder
overbodig zou er
't
Urbild
God
in
was.
zoo iemand tegen
nu, dat,
spreken
met het bewustzijn, dat er
naar de analogie tusschen
priori
in ons, waarschijnlijk
komt
Hierbij alle
wat a
bevestigt,
zijn.
dit alles
bedenking mocht opperen,
Wij menschen staan
in
den Kosmos
beneden ons staan lagere creaturen, maar ook, dat
op aarde geen hooger creatuur bestaat dan de mensch. Bij
denken aan God
het
God
hoogste op en
van
willooze
staan
het
is
de
creaturen op
lagere
beneden ons, volgens de H.
oordeelen
;
zij
zoover wij
uit
geopenbaard
aan
ons
denken
inhaerent, dat wij
toepassen, daarom verbiedt ons ons zelfbesef
zijn
vryi^^uxroc
de H.
God
te
brengen.
De Engelen
voor de
uitverkorenen,
maar voor
eenige kennis van de engelen bezitten, worden
S.
het
het kennis-
de kinderen Gods eens hen zullen
S., wijl
XiiTc^pytyJ.
over
om
zij
ons
en wil.
als bezittende kennis
Waar
wij
op aarde creaturen zien van lagere orde, die wil- en kenneloos
en
wij
nergens
zijn,
gegeven
is,
capaciteit tot actie vinden
hoogere
daar komen
we
óf
zij
bestaan
in
God
niet,
Eeuwige Wezen ten eenenmale houden en
bleef
ons
alleen
de
in
den wil
dilemma
tot dit
God
óf die kennis en wil bestaan in
dan die
analogice
en
daarmede houdt
op.
Daarmede zou de geheele Theologie op-
weemoed van
het
alle
spreken
Agnosticisme
over
beeld
Gods
in
den mensch,
te
;
op
uit
het
over
dien grond dus hebben wij het recht, om, met de H. S. voor ons, analogice
concludeeren tot het kennen en willen ook
het
in
God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's