Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 61
college-dictaat van een der studenten
§ Het
«irw
„^y
spreekt
van den mensch. Dat
een
somatisch
altijd
rapport
zóo voordenkt
en
gebeente, de vezels en zenuwen
in het
ook wel zoo, want die dragende „alomtegenwoordige
is
Gods" gaat door
kracht
aan
uitsluitend
daarbij
over den bloeddrup, het merg
43
Dei.
wordt bijkans
kxi Kcvoó/ueS-x kxi ia-ficv"
i^'ltjuey
men
dat
gesteld,
De Cognitione
2.
tot
op de atomen. Maar hetzelfde geldt
natuurlijk
evenzeer van het psychische bestaan van den mensch. Dat geestelijk bestaan
nu
gedragen. En eerst zoo gevoelt de mensch zich
God
ook door een eenvoudig wezen gedragen. En
ziel
zichzelf
in
maar eenvoudig. Ook dat zielsbestaan wordt
niet deelbaar,
is
door
lichaam en eene
een
alleen
niet
ziel,
elk oogenblik
„eenvoudige"
in zijne
de mensch vindt
eindelijk,
maar van
ook een
die ziel
En dat vindende, ontwaart hij, dat ook dat bewustzijn door God wordt gedragen. Niemand toch is in staat om ook maar een oogenblik eene gedachte te koesteren, zij het ook eene diep zondige, of God draagt ze. Dat is zoo bij den engel, bij den mensch, ja, zelfs bij Satan, bij welken laatste bewustzijn.
maar toch door God gedragen worden. Weet den mensch draagt, dan brengt het zelfbesef des menschen niet maar tot de kennis van eene x, maar tot de kennis van een eenvoudig en bewust wezen, waardoor de mensch gedragen
de gedachten wel verkeerd
men
Zoo
wordt.
Dei
het
zijn,
bewustzijn van
eerst leert hij tegenover zijn eigen ik een
zoo
stellen;
God
dat
zoo,
eerst
poneert
zich
ander
ik, nl,
dat van God,
geheel natuurlijk in den mensch de cognitio
insita.
gaan dus niet empirisch
Wij
godsdienst
geweest.
zijn
te
werk, vragende, of er ook volken zonder
Dat ware veel
te
uitwendig gehandeld.
Neen, wij
vragen, of wij in onszelven die cognitio Dei insita ontwaren. Als wij boren
den
grond
levens
in
ons
hier te rekenen
hart
en wezen, dan voelen wij ten leste de fontein des
eigen
hart
opspringen.
Nogmaals herinner
hebben met het type-mensch,
personen; dezen leveren geen tegenbewijs.
wat potentieel van hem
uit
in
ons
van
in
den
mensch qua
op de vereelte naturen.
niet
Neen, vind
deze
in
ik
is
dat wij
of verschroeide
type-mensch
het
dan concludeer
talis inzit, Bij
ik er aan,
met vereelte
omgekeerd
ik
dat potentieele bedekt, gelijk
het spraakvermogen in een kind.
De cognitio Dei insita
zit in
elk
mensch,
in eiken krankzinnige, en volstrekt niet alleen in
in
elk
de geloovigen.
moest de mensch van God kunnen losgerukt worden. Wijl ieder
mensch
die cognitio, n
1.
kind, ja,
Want
dit niet
zelfs
anders
kan, bezit
potentieel.
Niet ongelukkig heeft Calvijn die cognitio Dei insita bestempeld met den
van
semen
religionis, daarom
zulk
een
„semen" het potentieele karakter dier kennisse
semen
heeft
de
mogelijkheid
in
zich,
om op
gelukkige ligt
naam
term,
wijl juist in
uitgedrukt.
Immers, het
te schieten,
bloesem
te
dragen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's