Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 523
college-dictaat van een der studenten
Hfdst.
Het Bewijs voor de
II.
Middelaar tusschenbeide trad
Heilige Drieëenheid uit de Openbaring.
89
den Engel des Verbonds, daar was de Open-
in
baring middellijk, en had niet de werking van den Heiligen Geest plaats
maar waar de Engel weg was, daar was de Openbaring des Heiligen Geestes. Dien Geest hebben zij smarten aangedaan, daarom is Hij geweken en bij ;
;
den
nu
Pinksterdag
zien
nadat
wij,
om
Heiligen Geest weer terugkomen In
den
„Indien
niet
niet
Ik
7
Joh.
39
:
middellijk
a.
zijne kerk te blijven tot in
in
is,
dien
eeuwigheid.
Geest en niet ;
verheerlijkt was", en daaruit zien wij derhalve, dat de
God door den Er
:
hemel gevaren
ten
in Christus heeft Gods volk rechtstreeksche daarom zegt de Heere Jezus ook in Joh. 16:7: wegga, zoo zal de Trooster tot u niet komen," en lezen wij „Want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog
Heiligen
gemeenschap met den Heere in
Christus
Heiligen Geest rechtstreeks
gemeenschap met
de bedeeling door Christus
terwijl
is,
is.
dus twee momenten van Openbaring
zijn
de Openbaring aan de aartsvaders, de middellijke,
niet
door den Heiligen
Geest, en b.
de Openbaring
in
de woestijn, de onmiddellijke, door den Heiligen Geest.
Die Openbaring wordt nu door het volk beantwoord met een vloek
huppelen
rondom
aanbidden
;
het gouden
en
in
willen
gestalte
die
volgt het opheffen van die onmiddellijke
daarop
komt zooals
kalf
wij zagen
;
zij
gaan
den Heere
zij
gemeenschap en
weer de middellijke Openbaring.
[Evenzoo is het gelijk we zagen in het Nieuwe Testament bij de Apostelen. hebben zij te doen met den Middelaar na Christus' opvaren gold voor hen het Woord des Heeren „de Vader zelf heeft u lief" en „Wij zullen komen en woning bij hem maken".] Eerst
;
Dientengevolge zien wij dan ook
de volgende geschiedboeken den Engel
in
des Heeren terugkeeren. 1*^.
Jos.
:
hoofdmoment
het
in
5
13,
op dat
in
tijdstip
geschiedenis dat ons
Israels
is
beschreven
in
dat het volk overgaat van uit de woestijn in het
Heilige Land.
Daar wordt ons gemeld evenals Jacob vijanden", heir
heilig"
het
waarop
het
dat
Josua
een
Hij vraagt dien
Pniël.
antwoord
luidt
:
man
man
;
wordt
terwijl wij
nu
bij
uwe schoenen van uwe
„Trek
:
z
in
Cap. 6
:
ag staan
„Zijt gij
:
„Neen, maar
des Heeren", waarop, evenals aan Mozes
bevolen
20.
bij
Ik
heb ulieden
uit
ligt
in
vers
2.
want deze
plaats
is
man de Heere was.
Het optreden van die verschijning zien wij ook
hoofdmoment
ben de Vorst van het
het braambosch, aan Jozua
voeten,
2 lezen, dat die
(niet een engel)
van ons of van onze
in
Richt.
2
:
1—5, waar
Een engel des Heeren komt en zegt: „Ik
Egypte opgevoerd, maar
gij
zijt
mijner stem niet gehoorzaam
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's