Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 707
college-dictaat van een der studenten
Hoofddeel
Men werpe alles bij Hem van het
nu
trilogiscii
is
want inderdaad
;
intellect,
van
dat
17
God moeten
In
er trilogie
is
Gereformeerde
n.
aan
wil
kwamen: factor,
van den
volgehouden
het
en de
zijn,
Zoodra men
niet
relatie is
van het
zijn tot
de heerschende
het bewustzijn tot het zijn de dienende factor
veel
anders
bewustzijn
het
opkomen dan de
worden
dit klaar
anders
;
weinig afweken van het primaat van het
of
is
er
verderfelijk
met
gelijkstelt
mystiek.
bewustzijn onderworpen, dan wordt
kunnen
werken
geen woord
het
zijn,
kan
er in het
valsch, en verloopt in dolingen.
zij
dan moet het woord „vermogens" behouden
ingezien,
en
op de Gereformeerde
het
die mystiek niet aan het
Blijft
om
de
waarin het „ik"
relatie,
Zijn zijn en bewustzijn staat, uit te drukken, en zal ik
het
Altoos gehoorzaamt
doorgronden,
te
zijn
tiet
tegenover
is
de slotsom, waartoe wij
dit is
;
op doolpaden geraakt en werkten
kerken.
worden
het kennen
wil.
zijn
Zal
omdat
zijn,
dus opgesloten het dictamen intellectus en het dienend karakter
ligt
intellect,
zijn
van
relatie
intellect
boven het
om
Gereformeerden, die
Die
het
staat
strekt
die
de
terwijl
Hierin
is.
bewustzijn
het
bewustzijn,
het
van
dictamen
het
ik,
primaat van
het
1.
steeds
zijde
hen, die voortdurend het primaat aan den wil toekennen.
de
het
:
ik.
andere grondstelling
eene
volgt
Introductio.
3 vermogens
niet tegen, dat er
en het willen van het
ik
Hieruit
§1.
V.
tusschen het vermogen en het werken
dan
werken,
feitelijk
in
God
tot
onderscheiden tusschen
moet
ik
onderscheiden
zelf.
Moet men dan nu in God spreken van potentie of facultas ? Gelijk bij ons men bij Hem van beide spreken bedoelen wij niet de toepassing op één concreet geval, dan is er in God geen potentia, maar hebben wij te doen met de in Zijn Wezen duurzaam gegronde macht om te kunnen werken, kan
;
en die macht
Nu
zal
is
raadselachtig
dan vanzelf voor
het
facultas.
ieder,
die
aan
dat
het
kennen
schijnen,
de
Gereformeerde in
God
is
belijdenis
vreemd
is,
het doorgronden van Zijn
Wezen. Het kennen Gods richt zich immers niet alleen op Zijn Wezen, maar ook op de menschen, de historie enz. Het kennen Gods is niet alleen
eigen
relatie
van Zijn
zijn tot Zijn bewustzijn,
Daarom wezen we Zichzelf.
Nooit moet
maar wel, dat
Hij
er
men dus zeggen,
den
kosmos
in
dat
geschrevene
jaren
om
God
wat buiten
God
Hem
bestaat.
nooit iets kent buiten
Zichzelven kent en den kosmos,
Wanneer
Wij menschen kennen
wij iets geschreven
hebben
weer in handen krijgen, dan moeten wij wat uit ons voortkwam wordt aan ons vreemd,
later
nazien wat wij toen schreven
en
dat
tot
Zichzelven kent.
door gewaarwording, door waarneming. en
maar ook
de paragraaf op, dat
in
;
ons nu wel het kennen Gods
te
doen verstaan, moeten wij begrijpen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's