Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 155
college-dictaat van een der studenten
§
De essentia
2.
Die verhouding nu wordt uitgedrukt bepaaldheid.
Iets,
dat
door
iets
in
Dei.
137
de begrippen van afhankeliji<heid en
anders bepaald wordt,
is niet absoluut, d. i. absolutus ab omni relatione, ab omni determinatione, ab omni definitone, want die drie onderstellen eene macht buiten ons, die de verhoudingen
vaststelt,
waarom
het
absolute
recusat
omnem
relationem,
determinationem, definitio-
Men kan dus, gelijk de Theïsten tamelijk algemeen doen, zeggen, dat het absolute van God hierin bestaat: Omnia determinans Deus a n'emine determinatur. Brengen we dit gezegde nu over (om niet te zeggen in den Fichtiaanschen nem.
vorm)
den ik-vorm, dan zeggen de
in
het ik in mij
is
twee
ikken
Woord
Hierbij zal
dan
ligt
zijn
maar hoe
:
is
andere
van
is
terug.
Hier
alleen
eigenschappen ? Neen, determinatie,
bij
de positieve.
dit
de
ze
strekken
Bij
negatieve
men
Zijn de
:
om
van
wat
ik,
God
„Goed,
:
God
later zal
eigenschappen Gods
God
in
af te
eigenschappen
God
zijn juist
weren
voelt
al
men
wat zulks
onmetelijk, onbeschrijflijk, oneindig etc, niet zoo ter-
Gods
niet verder
op ingaan, maar alleen
datzelfde karakter hebben. Zoodat de
bedenking, als zouden de eigenschappen het wezen ; iets,
maareen
zeggen
zal
eigenschappen
Nu, wij zullen er hier
uitspreken, dat alle eigenschappen
valt
/s
maar
wezens determineert.
bij
:£/-
Wezen, dat omnia determinans is, maar zelf indeterminatus, het dan met Gods eigenschappen ?" Daarop kom ik in eene
onmiddelijk, als bijv,
stond
pantheïsten
Ik ben ik tegenover het Ik van God, en die
gereformeerden, die naar Gods éen absoluut Ik, namelijk het Ik in God, en het ik relatief, afhankelijk en bepaald.
Er
paragraaf
determineerende afwijzingen
Pelagianen:
de bedenking voor de hand, dat het
staat
afzonderlijke
de
van gelijke soort; en de
zijn
spreken
den mensch
in
;
Gods wèl determineeren, ver-
worden aangetoond.
II. Van het wezen Gods nu spreken wij uit, dat Hij is eenig en eeuwig. Over het begrip „eeuwig" handelen wij later bij de eigenschappen breedvoerig, maar toch moeten wij er in verband met het dogma van het wezen
Gods
reeds hier iets van zeggen.
In
wat
wij hierboven zeiden, dat
we
nl. te
onder-
scheiden
hebben tusschen tweeërlei wezenheid, nl. den absoluten grond van alle wezenheid en de relatieve wezenheden,-ligt reeds vanzelf opgesloten, dat alle relatieve wezen een aanvang heeft, namelijk daar, waar het het wezen ontving van het absolute Wezen, maar juist dientengevolge dat absolute Wezen wel aanvang geeft aan andere wezenheden, maar geen aanvang heeft of hebben kan, overmits een aanvang altoos ontvangen wordt en dus een passief zelf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's