Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 60
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Prima).
42
ipsius et Dei clara wordt. Terwijl het, vooral
zeer
onbestemde kennis wordt,
troebele,
merkbaar
Ook
ja,
na den zondeval,
bij
niet
dan eene
sommige menschen nauwelijks
is.
hier geldt dus de regel, dat wij rekenen
moeten
niet
met een
of ander
maar met het type-mensch, waarin duidelijk uitkomt, wat potentieel in den mensch is gegeven. Deze mensch nu, van oogenblik tot oogenblik rustend op de alomtegenwoordige kracht Gods, welke immanent in hem is, zal, individu,
hem werkt, zich uitstrekt tot het diepste van zijn komen tot de cognitio Dei insita. Daar komt nog een ander moment bij. Het kon toch zijn, dat dit gehouden
zoodra het zelfbesef, dat
in
wezen, noodzakelijkerwijze
worden van ons wezen door God en ons zelfbewustzijn heterogeen waren.
ware
geval
nooit
er
Wel zouden
wij
In dat
cognitio Dei insita mogelijk dan eene x-kennis.
andere
eene gewaarwording
hebben, wel merken, dat wij niet op
maar op een ander rusten, maar wie die ander was, zou ons onbekend blijven. Eene heterogene gewaarwording leidt alleen tot de kennis van een „iets", gelijk wanneer een Zoeloekaffer of Chinees ons een brief schreef, wij wel zouden weten dat die man ons iets mede te deelen had, onszelven,
maar
wat. In zulk een geval zou dus de cognitio Dei insita haast geene
niet
mogen heeten, en wel allerminst cognitio Dei. Maar wat komt er nu bij? Dit, dat wij geschapen zijn naar den beelde Gods, wat 28 „Wij zijn Gods geslacht." Als menschen zijn de apostel citeert. Hand. 17 wij er op aangelegd, kinderen Gods te zijn, tot God als Vader in kinderlijke betrekking te staan. Dat toch de schepping naar het beeld Gods van meetaf cognitio
:
bedoeld dezelfde
de
in
is
relatie
van het kindschap,
woorden D^s en
en Adam,
d.
i.
:
n^ron
blijkt duidelijk
gebezigd worden voor de
tusschen kind en vader, als
in
uit
Gen. 5
relatie
:
3,
waar
tusschen Seth
het scheppingsverhaal in Gen.
1
relatie tusschen ons en God. En evenzoo uit waar de genealogie wordt gevonden, welke begint met Jezus en aldus eindigt: t:S Er,B- toD 'ASx/h toü B-ssïj, terecht vertaald door: Adam, den
werden gebruikt voor de 3
23
:
dus
— 38, van
zoon
God.
De schepping
naar
Gods beeld en
het kindschap
Gods
zijn
gelijk.
Welnu, dat geschapen zooeven in
Luk.
naar den beelde Gods heft het heterogene, waarvan
sprake was, op. Wanneer toch de mensch alzoo
hem ook
teit,
zijn
niets, of het is
aan
God
ontleend.
En dus
is
is
er
geschapen,
is
er
geene heterogeni-
maar analogie.
Krachtens die analogie ontwaart de mensch
door
alomtegenwoordige
en
almachtige
en
stomme
eene
blinde
of
Gods
in
binnenste.
zijn
kracht,
kracht
maar
als
Gods,
zijn hij
zelfbewustzijn de
gevoelt die niet als
eene openbaring van de majesteit
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's