Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 42
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Prima).
24
vroeg
zeer
de
in
namelijk
Christelijke kerk,
God aanroept als den De mystieke lijn treffen
bij
J
u s
t
i
Ma
n u s
y
r t
r,
die
„ckppr,TZu TTx-rfip".
O
r
ge n e
i
op
wij
Deum
„Sentire
s.
dit
punt het eerst met bewustheid aan
sumus." Gedeeltelijk schemerde hetzelfde beginsel reeds door bij C maar toch, Origenes sprak het eerst duidelijk
s
uit.
van „het zwijgend getuigen" op de openbare scholen ten een staande uitdrui<i<ing van de ethische richting, met de Ritschliaansche school weer terugzinkt in het mysticisme.]
[Het
is
die
bijna de
Ook
onzent.
dit
lijn
Damascenus
gegaan
en
pantheïsme
in
JohannesScotusErigena,
en
gekomen op
reeds
eigenlijk
staat
zulk
is
mystieken, Dionysius Areopagita, Johan-
De eigenlijke
den
omgekeerd
kwestie
;
daar
thans het
leert
„God
:
is
den mensch." Daar wordt dus
de incognoscibilitas
is
Deze
Hegeliaansche school.
zin der
verder
zijn veel
waarop
standpunt,
het
zichzelven niet bewust, maar wordt dat pas in
de
men
e
I
van Alexandrië,
nes
bij
taciü aliquatenus possumus, explicare non pos-
in
God van
en
zichzelf
mensch vernemen, wie Hij is. Dat deze gedachte niet pas bij Hegel is opgekomen, blijkt wel uit wat Johannes Scotus Erigena zei „Deus nescit se quid est, quia non est quid." Zoo ook Johannes Damascenus: moet
„"O het
Tjizq
c c a
quod
den
o'jVvj
tw
qvtojv 'kttiv."
in
m
:
de middeleeuwen vinden wij dezelfde gedachte nog
„Nee essentia nee quidditas,
est realiter
[Quidditas
is
een is
Er
is
dit
aliquid
de zaak weer „op pooten", door
zette
1
1
i
a
m
cognitio quidditatis,
maar
te
zeggen
niet cognitio quidditativa."
beteekent, willen wij kortelijk uiteenzetten.
van oudsher
strijd
geweest over dat
„q u
i
d"
Men
oordeelde namelijk,
„quid" alleen gebruikt mocht worden van wat exsistentie had.
nu exsistentie een een grond onderstelt, waarin dien
Wi
bij
intrinsecus nee aliquid
woord, dat uitdrukt het bezit van een quid.
scholastiek
God wel
„Wij hebben van dit
nee
het adiectief quidditativa.]
Thomas vanAquino
dat
van
als
Deus potest cognosci."
Er van afgeleid
Wat
God
Dionysius Areopagita sprak van
cv.
fj,/]
Diep
O
van
Hij
zin terecht
„bestaan"
toch
—
,
dat
eischt
van „bestaan", want
Hij
God wel iets, is
essentie heeft,
waarop zelf
iets exsisteert,
aller
te
„staan"
maar geene zij.
In
zei
is
is
er
Daar
— en
exsistentie.
God nu
dingen oorzaak, dus
men
in
„Een
geen grond in
God ook
Daarmee werd noch het aanwezen noch het wezen Gods geloochend, want Gods „essentie" bleef. Doch deze redeneering heeft er toe geleid, dat men het wezen Gods negatief is gaan opvatten als rh fir, cv. En dit leidde
geen „quid."
vanzelf
deels
tot
atheïsme,
alsof
God
niet
was, deels
tot
de paden der
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's