Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 215
college-dictaat van een der studenten
§ dan
Heere Jezus de
de
Als
zichzelf.
„Hebt uwen naaste
De nominibus
6.
197
geboden resumeert, dan zegt Hij De zelfliefde is dus ook bij ons het uittien
als uzelven"
lief
Dei.
gangspunt van en de maat voor onze
De
liefde.
Heere Jezus gaat
echter
moet dus
zelfliefde
de
zelfliefde
verband
God
staat
zij
zucht,
als
opgeven
het
der
uit
Die
tegenover de
voor den naaste.
liefde
En wat
is
onze
is
die aldus
is
zelfliefde wil
zelfliefde zondig.
de
lo.
:
waar
om die God? Dit, dat wij in onsGod is. Wie in zichzelven iets mint, zelfzuchtig. De zelfliefde is niet zondig, voor
liefde
God
voor
liefde
wordt zondige
zij
en
komt met de
strijd
in
Jezus
ê'
voor
dan ook
zichzelf, is
de eerste plaats niet de
in
:
komt tusschen onze p%}] en God
'ipyj.Txi
Tti;
TTpói;
Hoe moct wat Godes is? Moet fxy.'^riTqq.
het
alles
is
Godes
God
ook
het
opkomen de schepsel
God
Bij
tuur
en
is
liefde
van
tenliefde. bij
de
er
nl.
ziel,
dat ik
in
gemind hij
mijn ik als het centrale
als
een kind van God.
een kind van
en wij
zelf,
de
bij
God den
zijn
God
Wie
en dat
is,
al
zijne liefde
van
bij ;
onze
dus
is
en eerst daaruit kan
bij
God den Heere weg. de
zich, dat
zelfliefde bij
en dat daar niets achter
dus maar éene tegenstelling, Bij
Wij moeten
Ligt echter achter de zelfliefde van het
wezen Gods brengt met
van
Heere.
naar Gods beeld geschapen
zelfliefde het eerste,
voor het creatuur.
het is
;
nl.
van de
liefde
De
Hem
ligt.
voor
zijn
crea-
den mensch vonden wij echter vroeger tweeërlei
zijne zelfliefde
met de
liefde
voor
God
(Over de innergöttlichc Liebe spreken wij hier
Triniteit.)
in mij
mijne gaven en vermogens,
geconcentreerd
eerste groote gebod, dat valt
zijne zelfliefde.
tegenstelling,
is
Daarom moet
God
Urbild, in
het uitgangspunt
ilvy.i fjLou
dan alleen de werkingen des Heiligen Geestes
wij terug tot de liefde
nog het
absoluutheid
"Bii'jxry.i.
dat ik in mijzelven alleen moet minnen
ik
beginnen met onszelven in
ob
'i^uy^qv^
de eisch van
dit verstaan,
en dat alles
;
hxuTob
Bovenal geldt
luidt
zich niet liefheeft, die doet te kort aan zijne liefde voor God.
in
Doch keeren liefde
fx,f.cn'.
Tf^'j
overtuiging in zich heeft, dat
heerlijke
kind van
fx,z
o'j
dan
;
ik
leven, dat alles beheerscht.
deze
Kxl
ook mijn lichaam, mijne
Neen,
liefhebben ?
zelf-
Zelfverloochening, in den waren zin van het woord,
liefde
er strijd
voor
nu de eenige weg,
is
verloochening van onszelven voor den naaste, maar voor God. dit,
liefde
naar de mate dezer
3.
;
tegenover de naastenliefde, maar
niet
staat
zij
anders
;
voor onszelven
liefde
die zondigt.
is,
God
voor
amoris, dan
datgene minnen, wat
alleen
dat niet uit
er eerst zijn,
de ons fundeeren, want voorop liefhebben boven alles." De wortel onzer
brengen met de
te
Die
principieel in
voor onze naasten.
liefde
zelfliefde in
want
liefde
op grond daarvan de
20.
zelven
onze
zijn
men dus naar den ordo
Vraagt
God;
niet
den Heere uwen God
„Gij zult
:
volstrekt
moet
zelfliefde
namelijk als maat voor onze liefde jegens de broederen.
en met de naas-
niet; die krijgen wij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's