Dictaten dogmatiek. Locus de Salute, Ecclesia, Sacramentis - pagina 683
college-dictaat van een der studenten, niet in den handel
CaputIV. Geschiedenis van het dogma van het Sacr. §2. Augusünus. 209
Wat
nu de verhouding tusschen het element en de gratia sacramenti
betreft,
zoo heeft Augustinus met groote kracht het denkbeeld van het signum ontwikkeld. de Doctr.
Bij alles, zegt hij in
Signum
et res.
quod
est
moet worden onderscheiden tusschen signum quod significatum est. Het sacrament is
Christ.,
significat, res
signum, dat een bepaalde gedachte
ons opwekt; de gedachte
bij
zelf is res sacra-
menti. Daaruit volgt, dat Augustinus niet kan leeren een reëele inhaerentie van
de res dat
res sacramenti
denken doet.
aan
er
De
het signum.
in
Er
is
is in
God, het sacrament het
(pyuvóixivov,
dus transcendentie van de gratie boven het
sacrament, en niet immanentie. „Aqua exhibens forinsecus sacramentum gratiae
operans intrinsecus beneficium gratiae" (Ep. 98, Cap. 2); en elders:
et Spiritus
„Sacerdos dat signum, Spiritus dat gratiam."
van de wijze, waarop de Heilige Geest de gratia
bespreken
het
Bij
komt Augustinus op den
sacramenti terug. Hij zegt, dat de Heilige Geest de
finis
gratia sacramenti niet geeft op zichzelf,
sacrament
de Heilige Geest moet gedacht en gaande
maar
dus alleen mogelijk, waar sancti
is
hem, die
in
als
inwonende
in
communione sanctorum. Het
in
nu ook uiteen, hoe
Hij zet
zijn.
het
Corpus Mysticum
God aan
de vraag, of
tot
:
Ongetwijfeld
is
God
heeft voor zijn
Het sacrament
er zelf boven.
mensch
!
is
wel gebonden aan den
is.
gaan daarom
Hiermede
Maar
gebonden, antwoordt
genadewerk bepalingen gemaakt, maar
dus niet absoluut noodig
regel,
door
verkregen, maar niet wordt gezocht, daar
verkorene
is
hier
het sacrament
ook buiten het sacrament om diezelfde genade kan bewijzen. En
hij
Christi,
lichaam van Christus wordt ingebracht.
in het
Nu komt Augustinus ook of
geeft,
God
is dit
gesteld.
tot zaligheid.
staat
Maar de
Waar het sacrament kan
een bewijs, dat zoo iemand geen uit-
kinderen, en verafwonende menschen, die ongedoopt sterven,
niet verloren.
glijdt
Augustinus evenwel ongemerkt den verkeerden
weg
op. Hij stelt
werd door den doop de wedergeboorte gewerkt, en de getoebedeeld. De doopsgenade wordt niet genoeg door hem gepreciseerd.
het eenigszins voor, als
nade
zelf
Hij vergeet, dat
de doop de wedergeboorte onderstelt.
requisiet des geloofs. als later
Maar
Nu
den kinderdoop geraakte
eischt hij in
hij
beslist het prae-
gelijke moeilijkheid,
sommige Gereformeerden tegenover de Anabaptisten. Want bij de kinderen,
meende
hij,
kon van geloof geen sprake
bet in cogitatione, non
tum
bij
ei
zijn.
„Parvulus, qui
etsi
fidem
nondum ha-
tamen obicem contrariae cogitationis opponit, sacramen-
Door dezen misstap werd hij oorRoomsche kerk nog verder afweek, dan hij zelf. Parvulus non habet cogitatione! Goed! Maar de antithese had moeten zijn: sed potest habere
salubriter participat (Epist. 98, Cap. 9).
zaak, dat de
fidem
in
in potentia. in
Als
hij
zegt, dat het kind
geen verkeerde cogitatio
heeft, leidt hij
ons
in
de verkeerde anthropologie der pura naturalia. Het kind wordt neutraal, noch goed,
noch kwaad. Het sacrament
verliest alle geestelijk karakter,
wordt opus operatum.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 728 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 728 Pagina's