Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 556
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Altera).
122
die
of
nadenken
macht
die „In
van
beteekent
dit
„naam"
dat
duidelijk,
Justitie
de
„kracht", officier
persoon
de
ons taalgebruik, uitspraken,
naam
wiens
bezit
in
die
al
ik u
ik
de
die
Vorst
om
bezit
't
Is
beteekent
noem.
Zegt een
die deur te openen",
dan
om
dat
Wet
„open die deur krachtens de macht die de
:
bevoegdheid
in
naam der Wet gebied
Komt een gezant „namens"
doen".
te
de eigenaardige beteekenis ging teloor
die",
eenig
bij
dan
zijnen Vorst,
is
heeft
dat krachtens de
handelen met een Vorst daarbuiten
te
woord „namens" ligt dus uitgedrukt de bevoegdheid van den Persoon wiens naam genoemd wordt. In 't Latijn wordt „in nomine" en in 't klassieke het
in
Grieksch
Gaan
nu terug op het Nieuw-Testamentische Grieksch, dan vinden wij
wij
om
daar
evenzoo gebezigd.
cucjux
zoo
te
zeggen het huwelijk tusschen twee taalwerelden, die van het
Oosten en van het Westen
Hebreeuwsch Het verschil
meer het denken
van
die
;
leven
van
die
het
verband
komt
de Oostersche
;
hiermede eerst
de Westersche en
in
in
komt
taalwereld
mystieken zin
bevoegdheid
woord
uit,
cy:,ux
dan hebben
cyo,ux
we
in
de Oostersche taalwereld.
de Westersche beteekent kracht, het zeggen-
in
element
een
er
op
wij nu
van den persoon die genoemd wordt, maar
schap
bij
;
in
woord
het
de mystieke Oostersche
DC'
drukt niet alleen eene
maar duidt tevens aan het wezen. Daaruit nu volgt, dat wij eenerzijds moeten opvatten als uitdrukkende het zeggenschap
oióg en ttv^'^jux xyiou, maar ook anderzijds dat die autoriteit schuilt Wezen van deze drie Personen. Wanneer nu in de Heilige Schrift met eene dubbele benaming de eenheid
van
'^xrrjp,
het
in
van
den
1
:
maar bij
KX'.
rol,
Beol
y.xt
dan zien wij steeds dat het lidwoord
voor het eerste nomen, zooals
staat
voor „God den Vader"
wij lezen B-eig.
bedoeld,
maar
wordt,
waar
3,
TXTr.p
wordt
persoon
gerepeteerd
ó
dus meer mystiek, de Westersche
is
Komen
op de beteekenis die het had dialectisch
te letten
Wij zagen nu reeds dat het
het
de Westersche meer het verstandelijk
laat spreken, terwijl in
tot zijn recht
draagt meer een dialectisch karakter. in
Oosten gerepresenteerd door het
het
Westen vertegenwoordigd door het Grieksch. van karakter tusschen die twee is, dat de Oostersche taalwereld en
Eveneens
in
Titus 2
:
13,
uitdrukt dat Hij, die
(T'^Tr,pzc
Wanneer wij dus hier in Matth. 28 telkens de namen der Goddelijke Personen, dan
TTxrriPy
En cvofix
en
uioc
nu, in
TT'jvjiix
'xycov
niettegenstaande 't
enkelvoud
aanduiding van
;
zij
zijn
er
bedoeld
b
B-ecg kxc txt/jp
waar
God
bijv.
in
en later weer
niet toj S-c5> kxI is,
niet
2 Cor.
ook verlost
(T(x>Tr,po<;
heeft.
het lidwoord herhaald vinden blijkt
uit
die repetitie, dat de
als drie subiecten.
3 subiecten geïndiceerd worden, staat er toch
hebben dus samen éen onoma.
machtsvolkomenheid
;
't
is
Dat
c-/:^ux
is
de
de autoriteit die hiermede wordt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's