Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 908
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Tertia).
218
Naar den
uitgewerkt,
vragen
er
der verlorenen
uitwerking tevergeefs.
alle
is
en ook hier te lande
voor
de
groote
men naar
dit
alles
betrekking
tot
de
alleen
datgene,
uit
hun gemoed
God
deze
zij
wat
dus geheel verlichting
tot
om hun onmacht
te
dan
dingen,
drie
antwoordt"
geloovigen
:
Dat
„wie
H. S. werkt
kan en wat
bekennen, hun schuld
zijt
nog met den Heere
dan
wie
en
men
verstaat
De
dienen
wezen.
doelloos
der
is
in
te zien
het drievoudig doel der H. S.
kunnen worden opgeworpen, maar
vragen
deze geheele quaestie
eenmaal vraagt, en daarom zou de Openbaring met
niet
verlorenen
bewerkt,
om
geen onderwerp van bespreking
zonden en misdaden brengt mee, dat
in
danken_ voor wat hun toekwam.
te
Allerlei
De dood
menigte.
is
Zij
zich over deze quaestie.
Spanje, Portugal, Frankrijk en Duitschland u^ordt
In
zelfs niet gedacht,
en
kant
Geen goddelooze bekommert
naar.
niet
gij
men een oog voor God
krijgt
o mensch, die tegen
wil redetwisten, toont, dat het
hem aan de ootmoedige stemming des harten ontbreekt. 2. Er zijn drie redenen waarom het inzicht in de Openbaring ons niet is gegund, n.l. a.
het creatuurlijke,
b.
het onvoltooid creatuurlijke, en
het zondige karakter van onze natuur.
c.
Wij
a.
grooter
schepselen
zijn
is
dan
wijst
ons
Job 36 zijne
3
de
H.
26.
:
kan
het
God
geen
begrijpen,
alles
begrip
ons worden begrepen. Zoo wij obiect in ons opnemen, kunnen
derhalve door ons niet worden begrepen.
telkens
S.
„Zie,
niet
door
concipere,
God kan
het niet bevatten.
kunnen
en
onze geest
kunnen comprehendere,
is
aan
oorzaak
de
van
ons
wij
Daarin
begrijpen,
niet
dat niet
cf.
Job stond met
groot en wij begrijpen het niet."
vrienden voor hetzelfde probleem, de verhouding Gods tegenover het
schepsel konden zien
:
gestraft
en
zij
niet vatten.
den vrome
Hij
en zijne vrienden willen den goddelooze
voorspoed levend, maar hun redeneeren loopt
in
De solutie wordt ons gegeven eerst door Elihu in Cap. 32—37 God Cap. 38—42. Zij beiden toonen Job Gods almacht. God gaat niet met Job redeneeren over het leed dat hem trof, maar Hij overweldigt hem met bewijzen uit Zijne Schepping, de groote dieren, de natuurwonderen moeten hem zijne nietigheid doen gevoelen. Er wordt niets opgelost van al de raadselen, maar God de Heere roept het Job toe op
niets uit.
en daarna door
Welnu, bevatten ?
kunt
dat
gij
alles
Immers neen.
voortbrengen, Job,
Moogt
gij
dan, waar
van het geschapene, de pretentie maken dat
Daarop moet Job,
overweldigd
versta ik dat Gij de Almachtige in
stof
en
asch."
Na
gij
gij
kunt dit
God
gij
en daarom verfoei
dat zwichten voor
verstaan
en
kunt vatten ?
door Gods Almacht,
zijt,
het
niet kunt ten opzichte
het
ik mij
Gods Almacht,
uitroepen
:
„Nu
en heb berouw
krijgt
Job het zegel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's