Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 154
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Prima.)
136
moesten voeden, opdat ze zoo die particulae lucis stelde een eigen
tot
wezen
De
Dei.
Pelagiaan, aan den anderen kant,
Maar, en
den mensch.
in
Immers,
de volkomenheid zouden geraken.
waren particulae
dit
was de
primordiale fout
van het Pelagianisme, het stelde het wezen in den mensch individueel en als eiusdem generis als het wezen Gods. De Pelagiaan zegt: Er zijn wezens; dat is
komen nu
het genus; en daaronder
als species
Gods wezen en
voor:
's
men-
schen wezen. Al zijn die twee ook onderscheiden in eigenschappen, toch zijn ze éen in de generieke lijn van het wezen. Daardoor ontstaat er gelijksoortigheid, zoodat
God maar
éen persoon
is
Inderdaad, het
en slechts éen wil bezit.
men maar scherp doordenkt, te verklaren uit deze éene gedachte Wij zijn met God eiusdem generis (wat het wezen betreft namelijk, niet als mensch gelijk God, niet God zelf); uit het subsumeeren beide van het wezen Gods en het wezen des menschen als species onder het
gansche Pelagianisme
indien
is,
:
eene genus wezen,
gansch deze dwaalleer opgekomen.
is
Daarom handhaajt tegenover waarheid
dit
Pelagianisme het pantheïsme
mogen spreken van eiusdem
niet
wezenheid
tweeërlei
2i\?,
is
En
generis.
het onderscheid tusschen die
hierin gelegen, dat de eene
wezenheid
het absolute
is
Wezen, en de andere niet dan het relatieve wezen. Die tweeërlei wezenheden postuleeren elkander over en weer.
Wezen Heilige
in
Schrift
generiek
begrip
het
aanzijn
deze
zaak
omdat
tweeërlei
het
reert, uit zich
is
het
als
luut,
als
niet
postuleeren
beurt als
het
met
den
vallen
maar de
Schrift ons leert, dat
absoluut
en
in
En zoo ook genomen wordt alle
den mensch juist is
het
als in
hierin
wezen
relatief is
eerst
waarbij dan
dan waarlijk abso-
zichzelf bestaande, neen,
andere wezenheden.
Wezen, want dan ontbreekt
Wezen, waarvan uitdrukken
Pelagiaan
God; m.
;
dat het gene-
bestaat,
Is
maar
het dat niet, dan
En op hare
er iets aan.
wederkeerig de relatieve wezenheden het absolute Wezen, zij
:
Het relatieve wezen
hare wezenheid ontvangen.
a.
Het absolute
zeggen,
God en mensch,
namelijk
was een
is,
zijn,
postuleert dus het absolute als de verklaring van zichzelf.
weg zóo
er
en de mensch beiden daaronder
beiden vader
de grond en oorzaak van
het niet het absolute
God
namelijk het absolute en het relatieve, en dat nu
voortbrengt.
maar
zóo mag verstaan, alsof
zij
God
in
en dat nu
immers het absolute vaderschap
voorts
ook
vaderschap
vaderschap
het begrip van Vader, dat in de
evenals
roept;
uitdrukt, niet
van vader,
vielen als species, er
Het absolute
openbaart juist daarin zijne absolute wezenheid, dat het andere
toch
wezenheden
mom^nivdin
dat wij onderscheid moeten maken tusschen tweeërlei wezenheid en
dit,
dat
er
Is
het
genus
gegeven
is
zelf.
is
Men
kan
men dus
kortniet
een genus en dat daaronder
neen, maar het generale begrip
w. er
Dit kan
is
een absoluut begrip,
geene coördinatie, maar subsumptle.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's