Dictaten dogmatiek. Locus de Providentia, Peccato, Foedere, Christo - pagina 849
college-dictaat van een der studenten
;
Caput was het
De Mediatq ris
V.
Opnciis.
§
3.
Het ambt en de
33
val.
nl. gemeenschap met God te hebben zoo werd het ascetisme geboren, monnikendom en de derwischen zoo in de protestantsche wereld het ;
pogen
;
van hen, die langs een eigéngerechtigen
De mensch
c.
is
koning
val gelaten zeker besef van orde,
onderwerping aan en nu dringt
in
potisme binnen te blijven
;
weg den hemel zoeken te verdienen. geschapen. Nu heeft God aan den mensch na den van regelmaat
meerderen.
zijne
in
Daarmede
de maatschappij, zeker besef van de mensch echter niet tevreden
is
het menschelijk leven de tooverij, de duivelbezwering en het desin één woord het pogen om hoewel men koning af is, toch macht
oefenen
in verborgene dingen de tooverij om macht te oefenen over de verborgene dingen der natuur; de duivelbezwering om macht te oefenen over het :
geestenrijk en het despotisme, het lijk
—
persoon
divus Augustus
!
om zich zelf voor te stellen als een goddeen weer in het aardsche het goddelijke in te
pogen
—
brengen. V.
Eindelijk
ie
voor
komt
waarop het ambt wegvalt. Dat doet het door het principieele ongeloof, door de absolute loochening dat er een eeuwige wereld bestaat door het Atheïsme dat is de profetische karaktertrek van de menschelijke natuur afsnijden, dooden en vernielen. het
er een tijdstip,
profeet
zijn
;
2e
voor het priester
zijn,
scheid tusschen goed en
wanneer
ten slotte in de gewetenloosheid het onder-
kwaad weggaat en men goed en kwaad beide goed gaat
noemen 3e te
en eindelijk op koninklijk terrein door anarchie en nihilisme als principe
gaan
stellen.
Zoo vindt
het ambt van den mensch in deze drie: „het Atheïsme, de gewetenloosheid en de anarchie" zijn principieele vernietiging.
Voorts zegt de paragraaf, dat „hiermede intusschen het ambt niet wegviel dat het integendeel met het oog op den val reeds van eeuwigheid door Gods raad op den Middelaar gelegd was."
;
Deze zaak moet a parte Dei bezien worden. God had den mensch
A.
zoo geschapen,
als het misliep
Zoo doet de mensch,
den.
hem
om
die vooruit niet weet,
tegenloopt, energiek tusschenbeide treedt.
werk
niet
met goddelijke voorziening tusschenbeide
wat
er
Maar zoo
maar
te tre-
komen zal en nu, als het niet Gods werk. Gods
is
van eeuwigheid. Godes werken
zijn Hem van eeuwigheid bekend. Daarden mensch ingezet en was het nu in het paradijs reeds door de zonde vernietigd, dan ware de instelling van het ambt onwettig geweest. Want van tweeën één de bediening van het drievoudig ambt heeft een is
om had God
het
ambt
in
:
ratio
Zoo niet, waartoe is het er dan waartoe bracht God het dan in den mensch ? Dan is de schepping en de destinatio van den mensch een werk, waarvoor geen ratio is, dus een spel, een gril. Maar zegt men „neen, als God den mensch zóó schept, dan is er een reden voor" — dan moet die reden in God zelf of niet.
;
:
ee-
'"
54
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 1028 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 1028 Pagina's