Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 702
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Tertia.)
\2
het eene kenvermogen wordt uitgelicht en het andere opkomt, maar de mensch wordt omgezet, met den rug naar den spiegel en met het gelaat naar
dat
den persoon. Spreken
nu
wij
van
Heere onzen God en zoeken wij op
den
klimmen
te
de analogie van den mensch tot de gesteldheid van het kenvermogen in Hem, dan moet ons punt van uitgang bij die analogie zijn, niet de gesteldheid van het kenvermogen zooals het nu is, maar zooals het eens zijn zal in de uit
heerlijkheid, en die
Dan
waarheid wordt nu
in
Cor. 13 expressis verbis bevestigd.
1
zegt de Apostel, zal ik kennen, gelijk ik gekend, ben, dan eerst
eerst,
ons kenvermogen werken op eene wijze, die nabijkomt aan de wijze, waarop
zal
God
het kennen in 2"'".
ad
nadere
de
zonde
werkt.
analogische overbrenging hebben wij ook te rekenen met
qualificatie, die dat
niet
tastte
ook ons
die
Bij
bestaan
en dientengevolge
Wanneer men nu den mensch der
en
rechtheid
in
ons ontving.
in
is
ons verstand verduisterd.
tweeërlei gesteldheid denkt, in den staat
den staat der gevallenheid, waarbij dan
in
De
ons zedelijk wezen aan, maar onze geheele natuur,
alleen
intellectueel
temporeele door de zonde
zijne
kennende
actie in den staat der rechtheid volkomen is en verdorven wordt door de zonde, dan moeten wij onze analogie weer ontleenen aan den mensch in den Wij vinden bij Adam de uiting van staat der oorspronkelijke gerechtigheid.
kennen
het
in
den
naar
en
kennis
Die
het geven van
indruk, dien bezitten
hij
wij
namen aan de ontving, gaf
dieren
;
hij
doorzag hun wezen,
dien indruk weer in de namen.
hij
niet meer, willen wij
dus opklimmen daartoe, dan
weer op die oorspronkelijke kennis teruggaan. niet zóó te verstaan, alsof door de zonde de eene kraan was afgeschroefd en de anders opgeschroefd, neen, het is hetzelfde kenvermogen, dat Wij hebben in de zondige gesteldheid anders werkt dan in statu integritatis. moeten Dit
wij
is
nu
om
ons eigen kennen op
klimmen, en
dit
moeten
derhalve
het
wij
doen, anders zou het buiten ons liggen. Neen, wij hebben en houden
zelfs
recht
uit
denzelfden kennenden mensch, maar
in
te
drie onderscheidene toestanden.
op den toestand, waarin de mensch geraakt door de Palingenesie, want zoolang hij blijft staan met de verduisterde werking van zijn kenvermogen, kan hij niet tot de analogie van het kennen Gods ad
3""i,
Maar nu moet ook
gelet
komen. Wij zien te
wij
geraken.
daar
dit
bevestigd
bij
vele volken, die
op valsche wijze
er toe
weinig overbrenging
van
het
kenvermogen op de goden, maar
men
;
daar dacht
bij
zich goden, die mensclielijke
Romeinen en Grieken des te meer aannamen en met ken- en wilsvermogen begaafd waren
gestalten
zochten
Letten wij op de Indische en Babylonische afgoden, dan vinden
;
daar werd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's