Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 81
college-dictaat van een der studenten
§.
dogmatiek.
63
hij had de ingeschapen Oodskennisse, maar daarbij klanken en begrippen hem volkomen vreemd geweest zijn. oude dogmatieken opslaan, vooral die uit den Coccejaanschen
definites,
de
wij
dan
Dei.
Integendeel,
zouden al onze Als
De Cognitione
2.
ontmoeten
wij vaak de poging, om te onderzoeken, hoe groot de mate der Oodskennisse zou geweest zijn, die Adam, Abraham, David enz. gehad hebben. Volgens deze dogmatieken zou Adam dan bijv. de belijdenis van den Drieëenigen God gehad hebben, een beweren, dat heet te rusten op Gen. 1 26, waar we de bekende uitspraak Gods vinden „Laat ons menschen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis." Deze voorstelling gaat natuurlijk van gansch verkeerde historische gegevens uit, want God zei dat niet tijd,
:
:
tot
Adam
natuurlijk
;
niet,
want
zelven óf tot de engelen.
Adam van
dat
waarschijnlijk
wien
doch
;
uit die
Zelfs
hoe
woorden
dit
niet
geschapen
eerst
is
denken
in het
lijkheid
heeft
in
maar
öf in zich-
geen enkel gegeven voor de onderstelling, heeft gedragen; eer is het tegendeel
kennis
de Schrift vermeldt alleen dat
zij,
Maar bovendien,
het, niet tot
die
misrepresentatie van de historie, wijl een anachronisme.
Drieëenheid
;
gansche voorstelling, alsof de Drieëenheid zou geconcludeerd hebben, is eene
is.
tot
er
is
uitspraak
wie het gezegd
of
Adam
deze
was nog
die
de veel
verdere
denken opgekomen.
ontwikkeling
Vraagt men, of
De
belijdenis
van
het
Adam dan
van de
menschelijk
de zalige heer-
gemist, die er ligt in deze belijdenis van de Drieëenheid Gods, antwoord ontkennend, want Adam stond met zijn eigen hart in de volle levensgemeenschap met den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest. En natuurlijk, ook voor ons ligt de heerlijkheid en zaligheid te dezen niet in
dan
luidt het
de Bijbelteksten, die er van spreken, of
maar
welke werkingen miste
in
de kennis, die wij er van hebben,
het ervaren en gevoelen in ons van de werkingen
in
homo
de
behoort, maar het
Nu
is
die
niet
Gods op ons hart, ons verklaard worden door die Bijbelteksten etc. Religieus institutus dus niets van wat tot de volle gemeenschap Gods was
alles
Adam door God
nog
in
den staat van het onontwikkeld bewustzijn.
geplaatst in het paradijs.
den vloek draagt, welke
om
En
gelijk
de starrenhemel,
der zonde wil over het aardrijk
ons zooveel machtiger toespreekt dan de vervloekte natuur
om
kwam,
ons heen, zoo
spreekt het ook vanzelf, dat gansch de natuur
in het paradijs tot den mensch ook veel machtiger en duidelijker sprak, dan het schoonste landschap op aarde dat vermag te doen tot ons. De sensus divinitatis werd derhalve bij Adam veel sneller en sterker dan bij ons geleid tot cognitio Dei clara door de kennis, die hij uit het leven in die natuur verkreeg.
in
statu
instituto
Evenwel yvtiicri^
To'j
hebben wij 3-c;i
ons
zóo voor te stellen, alsof Adam aan die genoeg had. Neen, de Schrift leert, dat er eene openbaring, van God aan het schepsel bijkwam. De zonde dit
ïk T'hv 7rocr,fx,y.Tw
patejactio, revelatio,
niet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's