Dicaten dogmatiek. Locus de Deo - pagina 628
college-dictaat van een der studenten
Locus DE Deo (Pars Altera).
194
benaming van
Die
Eeuwige Wezen,
Z^xcrroc,
zelfde
't
als
]v\v,
bij
eene benaming voor het
wordt door engelen.
die voornamelijk gebezigd
king van „Allerhoogste" komt juist
is
hen voor.
In
Lukas
1
:
Die uitdruk-
we
32 vinden
waar weer een engel spreekt, zij het dan ook een gevallen engel, komen die woorden weer voor. Daardoor wordt het tevens duidelijk dat de bezetene die woorden niet sprak, maar blijkt het dat we te doen hebben met een uitroep uit de engelenwereld. ook gebezigd
die
Luk. 4
In
Al
tot Maria,
41 en Luk, 8
:
en ook
28 vinden
:
daemonische uitspraken
die
hier,
ook diezelfde uitroepen.
wij
hebben
verband bijzondere beteeke-
in dit
want
nis,
uitsluitend
geen der discipelen
terwijl
de Heere
terwijl
2.
Hem
spreken
Zij
10.
bij
menschen de
Hem zoo toespreken. Voegen we nu saam die
als
als
dit ooit doet,
en hen daarom zalig spreekt,
is,
toe
rdü
uil
(dioü
zoo maar, tout
cru,
en
Zone Gods daemonen bestraft
belijdenis uitlokt dat Hij de
nemen we waar
dat Hij de
zij
aan de engelenwereld eigen Jezus
zijne discipelen en
bij
bijvoeging ven
opmerkelijke
dIoc to~j ö-^Io-to-j
van de daemonen, dan gevoelen
zijne bestraffing
we, dat die toespraken van de daemonen geheel geïsoleerd staan
we nu dan
bedenken, dat hier eene uitspraak het
blijkt
immers,
bekend stond als Eindelijk
:
die
het uitlokken van die belijdenis door den Heere
is,
;
en wanneer
rechtstreeks uit de geestenwereld,
is,
dat in de geestenwereld dit subiect van den Christus
toü 0coS.
vloc
Die naam van
roü (dtoü geeft Jezus zichzelven.
olig
Nemen we de overbekende plaats Joh. 3 16 waar de Heere van zichzelven spreekt en zegt dat God zijn ühv (xovoyivf, ïSuixev daar proclameert Hij zich :
in
den meest absoluten
spreekt
ons
zin
door ólehiivoeging
van den Vader
niet
zoo absoluut mogelijk lezen
TTxrpbc etc, Heere
de
en
we
Vragen
er
ons
het
in
we
tot
den
-jlog
rsü Trxrpig.
daar TcSró
ïcrni'
roü
rz ^iX-rjfxx
zich
daarna
zelf
weer
als
-mc
i
nu, als hoedanig die absolute isoleering van dat
we
Joh. 6:
40
de hemelen, niet van onzen Vader, maar Tré/x-^xvróc
fx.t
dus sprake van een eigen, op zichzelfstaand Vaderschap;
introduceert
dan herhalen
is,
is
in
hier
algemeen
de opmerking, die vroeger reeds
is
de uitdrukking van uhi en üo^iTh. en
c
zonder
meer.
uüc te verstaan
gemaakt, dat riY.'jx
bij
wel voor-
maar dat de naam „Zoon van God" kieschheidshalve aan de geloovigen wordt toegekend. In de oudste oorkonden der Openbaring worden de benamingen „zonen en dochteren Gods" wel op de menschen toegepast.
komt
in
't
meervoud,
niet
Zie
bijv.
Ex. 4
het geheele volk
;
:
22 ; daar komt de
uitdrukking n'33 voor als toegepast op
en zoo wordt ook gebezigd de uitdrukking „Gij zult Mij tot
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1910
Abraham Kuyper Collection | 948 Pagina's