Pro rege - pagina 307
of, Het koningschap van Christus. Eerste deel. Het koningschap van Christus in Zijn hoogheid
AFGELEID GEZAG. was. Voorts echter
niet alzoo
wat mensch heet
al
is
301
geboren, en hangt daardoor reeds
uit
den mensch
ontstaan en geboorte met
zijn
in
andere menschen saam. Niet mensch komt los naast mensch
maar
het
één bloed, dat aller leven
is
te staan,
eenheid verbindt. Gezins-
tot
en familiebanden schakelen de groepen ineen. Niet één staat er als
op
en
los
staande mensch, maar allen vormen saam het
zichzelf
eene menschelijk geslacht, en ongelijkheid in
't
licht, die
den anderen
over
te
in dat
menschelijk geslacht treedt een
vanzelf zeggenschap van den éénen
voorschijn roept. Het
hulpbehoevend kindeke
mensch
mensch
als
wereld komt, schept vanzelf een meer-
ter
hem
derheid voor den vader en de moeder, die
beginnen dan ook met
dat de
feit,
teelden.
De ouders
zóó met hun machteloos wicht
juist
te
han-
delen als hun goed dunkt, juist zoo als de leeuwin met haar welpen
Maar
doet.
stonds
bij
een
den mensch,
geheel
ander
wezen, mengt zich hier aan-
als bezield
element
in.
Niet van sterker natuurlijke
liefde en zorge, want de zorge van een klokhen voor haar kiekens
en zelfs van een tijgerin voor haar welpen overtreft niet zelden zeer
moeder
verre de zorg van een ontaarde
voor
kind. Neen,
zijn
wat zich hierin
of
bij
van een zelfzuchtig vader
den mensch mengt,
zedelijk element van gezag. Niet aanstonds,
kindeke
hier
nog
opgroeien het ik Is
in
vatbaar
niet
is
verbroken. Maar niet alzoo
machtiger,
en
d.i.
alle bij
ziet
zelf,
juist bij het
zorge en de plicht tot opvoeding steeds meerder en
beantwoordt
hieraan
waarop
verordineerde,
instrumenten,
het
de oude leeuwin niet meer
den mensch. Hier wordt
komt alzoo voor dezen toestand
slacht
een
band tusschen haar en haar welpen
bij
het kind een gehoorzamen,
een zich onderwerpen aan een over
de wijze
is
maar wel zoodra onder het
voor,
de jonge welp opgegroeid, dan
de
is
het kindeke allengs tot zelfbewustheid ontwaakt.
naar haar welpen om, en
opgroeien
want aanvankelijk
Hij
den
waardoor
te
hem
geplaatst gezag.
staan, dat
God
Men
de Heere door
de voortplanting van het menschelijk gevader
Hij zijn
en
de
moeder
gesteld heeft als
hoog en Goddelijk gezag over het
kindeke zou uitoefenen. Oorspronkelijk kon het vaderlijk gezag niet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 579 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 579 Pagina's