Onze eeredienst - pagina 344
HET NAGEBED.
340
terug.
komt
Dit nu
oogenblik pauze in
de
gewone
te
men verzuimt een
alleen daar van daan, dat
kort
nu den overgang uit het gebed plotseling, en daardoor onnadenkend wil
laten intreden, en
gestalte
te
doen intreden. Zal dan ook het nagebed weer worden, wat het naar de oorsproneen gebed voor allen kelijke bedoeling van de Liturgie zijn moet nood der Christenheid, dan is zulk een korte pauze niet alleen voor den prediker, maar ook voor de Gemeente dringend noodig. Men ziet dan ook, hoe in de kerk, als de predicatie uit is, bijna ieder zekere beweging maakt met hoofd of handen, of half gaat verzitten. Een machinale beweging, heel de kerk door, maar die zielkundigen oorsprong heeft. Het is een poging om uit stemming in stemming over te gaan. Bij de mannen gaat dit natuurlijker, omdat zij meest voor het gebed opstaan, maar bij de vrouwen komt de overgang van stemming in stemming meest niet anders uit, dan in zeker half verzitten gaan, of in een zacht fluisteren van een kort woord tot buurvrouw, om den indruk der predicatie weer te geven. Deze natuurlijke neiging nu om een overgang te zoeken, moet de prediker niet verijdelen, door al te snel met het gebed in te vallen. Hij moet aan de Gemeente een oogenblik tijd gunnen, om uit de ééne :
stemming en
uit
de
ééne
positie
de Gemeente weer
in
de andere over
te
gaan.
Men
gekomen, en zich schikt En bezit de prediker dan de kalmte van de zelfbetot het gebed. heersching, om ook nadat de Gemeente de oogen sloot en de handen vouwde, nog een kort oogenblik stil en sprakeloos met de Gemeente voor haar God te staan, om eerst daarna met zachte stem het gebed aan te vangen, dan mag hij hope koesteren, van èn zelf in de stemming des gebeds te komen, èn zijn Gemeente in de gebedsstemming mee te nemen. Niemand zegge dat zulk een opmerking onbeduidend is. Bij den eeredienst moet goede liturgische leiding juist strekken om de stemming der Gemeente te doen zijn, wat ze voor elk deel van den dienst zijn moet. Dit nu eischt studie, en hier met name zielkundige studie. Een Gemeente er toe te brengen, dat ze onder het bidden metterdaad bidt, is van het hoogste gewicht. En juist omdat het hierbij op de bestaande stemming van het gemoed aankomt, is de prediker verplicht, zich af te vragen, waardoor de stemming des gebeds verhinderd wordt, en waardoor ze wordt bevorderd. Wat nu het nagebed zelf betreft, zoo toont het gebed dat in onze Liturgie staat, zoowel in zijn ouderen kortsten vorm, als in zijn latere merkt vanzelf
of
tot rust is
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's