Onze eeredienst - pagina 540
DE BEVESTIGING
536
IN
HET AMBT.
is, 2 of hij de goede belijdenis belijdt, en 3 of hij waarnemen. Hierbij wordt teruggewezen op hetgeen dusver van het ambt gezegd was. Dit doet onderstellen, alsof in het voorafgaande de verplichtingen van den Dienaar op den voorgrond hadden gestaan, gelijk dit gehoord had. Toch is dit niet het geval, en maakt het eerste stuk van het Formulier veel meer den indruk, of men bedoelde de Gemeente aan te zeggen, hoe hoog ze haar Dienaar had te schatten, dan om den Dienaar voor te houden wat hij schuldig was jegens de Gemeente Gods. Hierdoor ontbreekt iets aan de harmonie van het geheel. Op de eerste vraag is dikwijls aanmerking gemaakt, alsof bedoeld was dat de beroepene een innerlijke roeping van den Heiligen Geest moest hebben. Dit echter is onjuist. Er wordt alleen gevraagd, of hij overtuigd is in zijn hart,
beroeping verzekerd
zijn
ambt trouw
dat
de beroeping
zal
in wettige
beroeping van Godswege
is.
orde heeft plaats gegrepen en alzoo een Dit bedoelt dat de beroepene zich wel
bewust is, door geen ongeoorloofd middel een beroep te hebben uitgelokt, maar alles in wettige orde te hebben laten toegaan, en dat nu, wijl dit alles wettig plaats greep, de roeping moest beschouwd worden als een roeping van Godswege. Niet dus een roeping van Godswege, die geplaatst wordt naast de roeping door den Kerkeraad, maar de roeping van Godswege, omdat de Kerkeraad tot de beroeping last had en die last wettiglijk is uitgevoerd. De tweede vraag is zakelijk en juist in den vorm gehouden, zoodat er van geen kerkelijk Formulier, maar alleen van het Woord Gods in gesproken wordt, en aan het slot van de derde vraag is het uitnemend, dat de beroepene zelf wordt uitgenoodigd, om zich door belofte vooruit reeds aan de Tucht der kerken te onderwerpen, zoo hij zich in leer of leven kwam te misgaan. Ook is het prijslijk, dat nu naast het leven ook de leer genoemd wordt. In het Formulier van den Ban, waar het de Gemeenteleden gold, werd alleen van het leven gesproken. Hier echter bij de Herders ook van de leer. Het antwoord op deze vragen moet dan zijn Ja ik, van ganscher harte. Geen knikken, geen buigen van het hoofd, en evenmin een eed, maar dan toch een volmondig ja, en nog eens ja, door de bijvoeging van ganscher harte, versterkt. Dit is uitnemend. Wat alleen :
:
hindert,
is,
gebezigd
dat dit
wordt,
:
en
Ja
Diakenen, evenmin als hindert,
is
ik,
niet bij
van ganscher harte, alleen bij
de
bij
de predikanten
bevestiging van de Ouderlingen en
de bediening van den H. Doop.
het onderscheid maken.
Wat
hier
Wij voor ons zouden zeggen, voer in, naar het woord des Heeren
voor den Eeredienst of het korte ja
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's