Onze eeredienst - pagina 553
DE BEVESTIGING aard en het wezen der zaak.
zo^dra
we
Er
HET HUWELIJK.
IN
is
549
tweeërlei aard van ons mensche-
de schaapskooi van Christus
lijk
leven,
Dan
toch heeft ons leven twee zijden
in
:
zijn
ingegaan.
de ééne gekeerd naar het aardsche
bestaan, de andere belicht door onze aanhoorigheid tot de van het geestelijke en hemelsche leven. Die twee nu hebben onze Vaderen steeds onderscheiden, en dies gewild, dat waar ook in het huwelijk burgerlijk sfeer
deze twee zijden van ons leven uitkwamen, de Overheid over de ééne zijde van het huwelijk zou heerschen en de kerk over de andere. Huwelijk
roept rechtsverhoudingen in het leven tusschen
man
en vrouw, tus-
schen ouders en kinderen, onder familie en verwanten. Hieruit vloeien voort verplichtingen van verzorging, onderhoud en opvoeding, en ook
volgen
hieruit
bepaalde
Dit alles nu
goed.
is
verhoudingen
niet
ten
aanzien van het aardsche
hemelsch, maar burgerlijk,
en
is
alzoo door
de burgerlijke wet
te regelen, geheel afgezien van de hoogere eischen opvoeding en verzorging die het Christelijk geloof stelt eischen die dan ook niet door een wet bepaald worden, maar in het geloof hun oorsprong en hun voldoening vinden. Daarnaast staan echter geheel andere verhoudingen die bij het huwelijk aan de orde komen, waarvan sommigen een gemengd, andere een uitsluitend geestelijk
van
;
karakter dragen. Gemengd bijv. is de soms moeilijke vraag, tusschen welke personen een huwelijk ongeoorloofd is en onder welke omstan-
digheden de ontbinding van een huwelijk kan volgen. Geheel mystiek daarentegen
man
en
is
vrouw
de vraag naar de vereeniging van de twee ikken van in
een
hoogere
ouders en kinderen verbindt
in
eenheid
de
;
het huwelijk
;
geestelijke
hetgeen
voortvloeit voor het kerkelijk en geestelijk saamleven
band
uit het ;
die
huwelijk
en hetgeen het
saamleven van man en vrouw en het optreden van heel het gezin zijn moet voor het Koninkrijk Gods. Met het oog hierop nu beleed men verhoudingen haar regeling van de Overheid ontonder de regeling en het toezicht der kerk stonden, en dat de middelvragen ter oplossing verbleven aan de theologie en de jurisprudentie in gemeen accoord. Dat desniettemin ook onder ons over deze verhoudingen niet altoos steeds, dat de eerste
vangen,
dat
de
laatste
genoegzame klaarheid bestond, is hieruit te verklaren, dat in meer dan één land de Overheid ook na de Reformatie de sluiting van het huwelijk geheel aan de kerk overliet. Met name Voetius stond erop, steeds duidelijk uit te spreken, dat alsdan de Overheid haar macht aan de kerk delegeerde, wat ten deze zeggen wilde, dat om onnoodige kosten te mijden en onnoodigen aanslag te voorkomen, de Overheid van eigen huwelijkssluiting afzag en ook voor wat haar aandeel be-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's