Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Onze eeredienst - pagina 38

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze eeredienst - pagina 38

2 minuten leestijd

HET ALTAAR.

34

En het eenige offer dat overblijft, is het gev en den dood do or de daad van het volkomen geloof. Men mag alzoo niet zeggen, dat wij geen priester, en geen offerande meer hebben. Die hebben we zeer zeker. Alleen maar onze priester En onze offerande is in het heiligdom bij God, niet meer op aarde. volkomen volbracht.

van ons eigen

moet

niet

ik in

nog gebracht, maar

Lam Gods,

ven, en „het

is

gebracht, eens voor allen die geloo-

dat de zonde der wereld wegneemt,"

steeds

is

voor Gods heilig aangezicht. Hierop nu rust de overtuiging der Gereformeerde kerken onze kerkgebouwen voor een altaar geen plaats is.

Waar een

altaar

is,

moet een

offer

gebracht worden, en

,

dat er in

in

zoover

de Roomsche Liturgie veel consequenter en logischer dan de Luthersche of Episcopale, daar toch de beide laatste wel het altaar bijhouden, is

maar zonder

offer,

overmits ze het brengen van een tweede offer na

de eenige offerande van Christus niet aandorsten. Daar nu wij, Gereformeerden, eveneens belijden, dat de offerande van Christus de eenige en volkomen genoegzame offerande, niet alleen de verzoening onzer zonden, maar voor de verzoening van de zonden der gansche wereld is (1 Joh. 2 2), en alzoo een vernieuwd of aanvullend offer voor ons ondenkbaar is, betuigen we, dat ook het voor

:

voor

altaar

ons

vervallen

is,

en

in

onze gebouwen geen zin meer

zou hebben.

Hiermede hangt dan weer saam, dat we in onze kerkgebouwen ook heiligdom meer zien, en dat de bedienaars van den godsdienst

geen bij

ons geen

alsof

we

altaar,

priesterlijk karakter dragen.

En zulks

waanden het zonder heiligdom, en zonder

in het

minst

priester, en

niet,

zonder

en zonder offer te kunnen afdoen.

Dit in het minst niet.

Ook

erkennen eerbiediglijk een heiligdom, een priester, en een van noode te hebben, zoolang we nog niet zonder vlek of op de nieuwe aarde in het rijk der heerlijkheid onzen God wij

offerande

rimpel

kunnen dienen. onzer

zonden,

wetenschap,

Dit vloeit voor ons rechtstreeks voort uit de kennisse

diepe besef van onze schuld, en uit de droeve onze heiligheid nog niet boven de allereerste kleine

uit het

dat

beginselen der volmaakte gehoorzaamheid uitgaat. Alleen

maar,

Aaronitisch

dening

nomen,

van al

op

grond

der

Heilige

Schrift,

beschouwen we

alle

priesterschap als vervallen, het priesterschap naar de or-

Melchizedek ingegaan, en daarom verouderd en weggewat onder Israël niet dan schaduwachtige en zinbeeldige

beduidenis had.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's

Onze eeredienst - pagina 38

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's