Onze eeredienst - pagina 457
BEDIENING VAN HET HEILId AVONDMAAL.
Men houde vaneen de
toch wel
breede
vormen,
schare
men van God
Mis wel clerus en leeken
het oog, dat de
toch van den anderen kant de geloovigen
wier behoeve
ten
de opdraging van het
Aan
het Mis-offer ligt de gedachte ten grondslag,
iets
poogt
Mis-offer geschiedt. dat
in
maar dat
scheidt,
453
te
wat
verwerven,
men anders
niet
maar een dankoffer voor ontvangen genade, maar ook een smeekoffer om nieuwe genade aan de reeds genotene te Het
ontvangt.
niet
is
Het is van God in Zijn almachtigheid, dat men deze nieuwe genade zoekt te verwerven, en nu strekt het opdragen van Christus als offer, om God Almachtig tot het verleenen van die meerdere genade te bewegen. Ook het gebed is wel goed, en ook op andere wijze is wel genade te ontvangen, maar toch is er niets dat ook maar van verre in vergelijking kan komen met de opdracht van het Mis-offer, omdat in het Mis-offer het Lam Gods, zien toegevoegd.
meerdere,
niet
in
deze
schijn, en
maar metterdaad en in werkelijkheid Daar er nu niets is, dat voor God in ook maar van verre gelijk kan staan met het
niet zinbeeldig,
Gode wordt opgedragen. waarde
en
beteekenis
Lam Gods,
bezit
Mis-offer
het
uitwerkende kracht,
een
ander middel dat den menschen ten dienste
staat,
ooit
geen
gelijk
geven kan.
Hiervan nu werd de beteekenis vooral verhoogd, doordien men ingang schonk aan de voorstelling, dat een Mis-offer hier op aarde bediend, ook
Ook
voor de gestorven geloovigen ten zegen kon gedijen.
men
Men
niet verkeerd.
beteekenis
schreef aan het Mis-offer geen zaligmakende
Veelal beleed
toe.
dit versta
men
steeds en bleef belijden, dat onze
stand was gebracht door het Maar ziende op wat de geloovigen in het leven vaak te klagen gaven, stond men voor de moeilijkheid, dat men eencrzijds den Doop beschouwde als het bovennatuurlijk middel, waardoor iemand in het Lichaam van Christus werd ingelijfd, en toch anderzijds
verzoening offer
rechtvaardigmaking
en
tot
van Golgotha.
gedurig
op een ongeloof en een zedeloozen wandel, die beiden
stuitte
verrieden,
hoe
onvoltooid
persoon nog was.
Om
bij
het
sterven de heiliging van zulk een
deze moeilijkheid
te
vereffenen, gaf
Men
ingang aan de voorstelling van het Vagevuur. sterven
nog
allerlei
hem van de ondergaan, tijdelijk
en
lijden,
gebrek den gedoopte aankleefde
zaligheid niet uitsluiten; en zoo
clusie, dat hij
na
zijn
zag ;
in,
men dat
bij
toch kon
kwam men
tot
toen het
men
de con-
sterven nog een zuivering, een heiliging had
te
dat deze zuivering of purificatie bestaan moest in een dat
hem na
zijn
dood
trof.
Aan
dit lijden gaf
men den
naam van Vagevuur. En nu ontstond de vraag, of de achtergeblevenen, in de gemeenschap der liefde, niets doen konden om dit lijden na den
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's