Onze eeredienst - pagina 68
ONZE PSALMBERIJMING.
64
„Des Heeren wet nochtans," in de Statenvan dat voegwoord niets te vinden „De wet des Heeren volmaakt" zonder meer. Wie berijming en Statenoverzetting veris gelijkt, zal dan ook bevinden, dat van al deze „maars" en „wants" Staat
onze berijming
in
overzetting
is
gemeenlijk
in
;
:
de onberijmde overzetting niets voorkomt.
aan het Hebreeuwsch, dat
nu
Dit
leidt tot
al
Iets
wat
ligt
zulk redengeven door voegwoorden mijdt.
de vraag, of het niet mogelijk zou
weg
van onze berijming deze voegwoorden
zijn,
bij
werken
herzie-
wat door zeer geringe wijziging van den tekst mogelijk zou zijn. Men kon ook wel een anderen weg inslaan, en aan zulke verzen een dubbelen aanhef geven, den éénen om te zingen, als men met ning
te
;
iets
meestal
dat vers begon, en den anderen, als eerst het voorafgaande gezongen
was
maar dat
;
kunst
dan
verstaat,
het
in
zou zal
licht
er
verwarring geven, en wie als dichter
ook op zichzelf meer op
voegwoord de verbinding
Vooral de Oostersche poëzie
blijft
zijner
in
uit zijn,
gedachten
te
van het voegwoord
den
zijn
zin,
zoeken. liefst
op een
afstand.
Hiermede hangt saam, dat verzen die los van het voorafgaande gezongen worden, dan op zichzelf rond moeten loopen.
Zoo afgaat
10:
loopt b.v. vers 10 van Psalm 116 uitnemend, als vers 9 voor:
„Och, Heer,
„Ik zal
ik ben,
o
ja,
ik
ben
uw naam met dankerkentenis
vers 10 apart, dan loopt dit niet,
uw
knecht", en dan in vers
verheffen."
Maar neemt ge
want dan moest
in dat vers zelf de Anders toch wordt het een aanspreken van het Hoogste Wezen zonder zijn naam te noemen. Iets wat zelfs onder menschen voor min kiesch geldt. Hetzelfde geldt van het gebruik van voornaamwoorden in den aanvang van een vers. Een voornaamwoord slaat terug op een onderwerp of voorwerp of actie die voorafgaat. Begint men echter met zulk een voornaamwoord, zonder er het voorafgaande vers bij te nemen, dan doet dit onharmonisch aan. Zelfs waar zich het onderwerp wel in gedachten laat invullen, is dat toch hinderlijk. „Zij zullen uit de volheid van 't gemoed" „Zij zullen U eerbiedig vreezen" Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort", zijn uitdrukkingen, die veronder-
naam des Heeren
uitgedrukt.
zijn
;
;
stellen dat er iets voorafgaat, gelijk
maar
als
men
dan ook metterdaad het geval
zulk een vers buiten dit verband aanheft,
is
is;
het begin-
nen met zulk een voornaamwoord min juist. Aan alle deze soort bezwaren is intusschen alleen tegemoet te komen door kleine dichterlijke wijzigingen in de berijming zelve aan te brengen. Want wel is het voorgekomen, dat de voorganger zelf onder
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's