Onze eeredienst - pagina 420
BEDIENING VAN DEN HEILIGEN DOOP.
416
verzekeren, vermanen. In het tweede stuk van de leer des
het zoo nadrukkelijk
:
„Ten tweede
Doops
staat
betuigt en verzegelt ons de Heilige
Doop de afwassching der zonde door Jezus Christus". En dit wordt dan nader met het oog op de drie Goddelijke personen uitgelegd, opdat men verstaan zou waarom de Doop juist in den Naam des Zoons en des Heiligen Geestes wordt toebediend. En dan heet het: l e „Want als wij gedoopt worden in den Naam des 2e „En als Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader" enz. wij gedoopt worden in den naam des Zoons, zoo verzegelt ons de Zoon", enz. En 3 e „Desgelijks als wij gedoopt worden in den naam Vaders,
des
des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest", enz. Hierop
Doops nog de vermaning, in deze woorden „Overmits in alle verbonden twee deelen begrepen zijn, zoo worden wij ook weder van God door den Doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid". Niet de Doop brengt de kinderen in het Rijk Gods en in het Verbond, maar zóó staat er: „Zoo zal men de kinderen als erfgenamen van het Rijk Gods en van het Verbond Doopen"; een zegswijze waarin het woord erfgenaam niet doelt op volgt dan in het derde stuk van de leer des die ons door den
Doop
toekomt, en dat wel
:
een erfenis die eerst later zal vrijkomen, maar op een erfenis die reeds geërfd
is.
Immers de
Dit standpunt nu
erfenis ging in
liet
op Golgotha.
vanzelf voor den
Nood-Doop geen
plaats.
Al
kindeke ongedoopt, het stond daardoor niet buiten de geVandaar dat de ouders getroost en vermaand worden, om zoo hun kinderen vroegtijdig, zonder den Doop ontvangen te hebben, sterven daarom geenszins aan hun zaligheid te twijfelen. Ze misten hetzegel des Verbonds, maar niet het deelgenootschap aan het Verbond. Nu had dit zegel juist zijn waarde en beteekenis voor wie leven bleef en den strijd des levens tegemoet ging, maar dat zegel was niet onmisbaar voor het jonge wicht, dat het aardsche leven nimmer zou ingaan en den strijd van het leven niet zou kennen. Hieruit volgt wel niet, dat men den Doop, waar ze te verkrijgen was, mag verzuimen, want dan is dat onze schuld en zal niet het kindeke, zoo het onverwacht sterft, er onder lijden, maar zal de vader of moeder, die dit verzuim pleegden, hun schuld van verzuim voor God dragen. Het wekenlang uitstellen van den Doop zonder noodzaak, of alleen om op het herstel van den moeder te wachten, verdient daarom zeer beslist afkeuring. Maar ontkend kan niet, dat juist deze leer van den Doop bij den onnadenkende het uitstel in de hand heeft gewerkt en bij niet weinigen de beteekenis en de waardij van den Doop heeft doen dalen. Als Doop stierf
nade.
het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's