Onze eeredienst - pagina 431
DE OVERGANG VAN DEN HEILIGEN DOOP TOT HET HEILIG AVONDMAAL.
God
bezitten,
waarnemen te
groote
kan".
In
bidden, goede voornemens koesteren, hun beroep
en wel liefhebbers der vroomheid
zijn,
427
vlijtig
maar van geen
al
men
in
de wereld zoo nauw niet leven
de massale kerk scheidt
hij
alzoo vooreerst af allen die een
preciesheid,
daar
maar ook in de tweede plaats alle dezulken, die wel burgerlijk een onbesproken gedrag leiden, en zelfs den indruk maken van vroom te zijn, maar bij wie de vroomheid het geestelijk gevoel mist, en die daarom als schijn-, mond- en naamgeloovigen, met al hun drogredenen, nog verre van het Koninkrijk Gods staan. Doch ook wat dan overblijft, mag nog allerminst geacht worden reeds aan het leven deel te hebben. Veeleer toch moeten ook nu weer de „bekommerden" van de „waarlijk geloovigen" onderscheiden worden. De „bekommerden" mogen echter, en hier legt hij nadruk op, niet verward worden met de „nabijgekomen schijngeloovigen", die wel toestemmen, maar het bij die uitwendige toestemming laten. Hun „schijn" van geloof is iets sterker, maar in hun hart zijn ze nog ergerlijk
leven
„natuurlingen".
leiden,
„Bekommerden daarentegen
zijn
dezulken, die waarlijk
Doch ook hier moet men weer voorzichtig zijn en de „verlegenen" niet met de „bekommerden" op één lijn stellen. Ook de „in hun conscientie overtuigden" zijn nog de ware bekommerden niet, evenmin als zij, die slechts „klagen om te klagen", of onder wat vorm ook een schijnbekommerdheid uitgeven, waar geen waarheid achter zit. En eerst na die „bekommerden" komen dan de wezenlijk „begenadigden", die „Gods volk" zijn, maar ook op hun beurt weer in velerlei graden uiteenvallen. Reeds destijds hielden, naar Werumeus in zijn voorrede mededeelt, deze weinige kerkleden die tot Gods volk behoorden, „hun gezette en verquickelijke bijeenkomsten". Dit bijeenkomen als vroom gezelschap keurt Werumeus goed, en zegt dat hij ze zelf „meermalen met geen gering genoegen bijwoonde en alzoo ooggetuige was, dat alles naar Gods wil ingericht was". In deze bijeenkomsten voerden dan enkelen meer regelmatig het woord, die hij „oefenaars" noemt, en van wie hij betuigt, dat ze de Leeraars niet uit, maar in de hand werkten". De toestand die zich hierin afteekent, was alzoo deze: Het Verbond was losgelaten, aan den Doop der kinderen werd geen waarde meer gehecht, want hun geboorte uit leden der kerk kon ze niet als lidmaten van Christus doen voorkomen. Aan het Avondmaal namen juist zij 't meest deel die er geen aanspraak op hadden, en de bekeerde zielen bleven er van weg. En feitelijk was er in een Gemeente van door
's
Heeren
geest
begonnen ontdekt
te
worden".
eenige duizenden zielen slechts een zeer kleine groep van waarachtig
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's