Onze eeredienst - pagina 247
ABSOLUTIE.
komen,
betrekking hebben op belijdenis van zonden rechtstreeks
die
en onmiddellijk voor
maar reeds
ring,
243
uit
God den
Heere, behoeft wel nauwelijks herinne-
de aangehaalde plaatsen
blijkt
dan toch, dat er
de Heilige Schrift ook gehandeld wordt van belijdenis van zonden voor menschen, en van een vergiffenis van zonden die door menschen in
ons verklaard wordt. Het staat vast: 1". dat onder de Israëlietische bedeeling het belijden van de zonden waarmede men zich verschuldigd had, plicht was, en dat er offeranden geboden waren om de gebondenheid aan deze schuld los te maken; en 2". dat zij die door Johannes gedoopt zijn, hem vooraf hun zonden beleden. 3". Dat de Apostelen belijdenis van zonden
aannamen
én kort voor
En
dat Jezus én te Caesarea Philippi hemelvaart aan zijne apostelen de „macht der sleu-
aanbevalen.
en
zijn
4.
telen" heeft gegeven, en dat deze „macht der sleutelen" ook doelde
vergeven
het
op
kwijtschelden, of op het houden en vastleggen van
en
iemands zonden. Zegt dus iemand, dat elke tusschenkomst van menschen
in
het stuk
der Schuldbelijdenis en der Schuldvergiffenis onheilig en verwerpelijk
zoo
is,
zijn
zulk
gaat
Apostelen
een tegen de Heilige
schrift,
tegen Jezus en tegen
in.
Onze vaderen hebben in de dagen der Reformatie die stelling dan ook nimmer verkondigd. Het onderling onder broederen belijden van elkanders zonden hebben ze niet ontraden, maar krachtens het apostolisch getuigenis aangeraden. En de macht van „de sleutelen des
hebben onze kerken
hemelrijks"
Catechismus
macht
is:
officieel
in
den Heidelbergschen
aldus omschreven, dat er tweeërlei uitoefening van deze 1.
in
de
verkondigen
der
kondigd
openlijk
openbare
vergadering der geloovigen door het
door de uitoefening van het recht van ban en weeropneming van hen die zich grovelijk kwamen te misgaan. Het eerste geschiedt, naar luid van Antwoord 84, „alzoo, als, volgens het bevel van Christus, aan de geloovigen, allen en een iegelijk, veren
absolutie,
en
betuigd
2.
wordt, dat hun, zoo dikwijls als
zij
de
met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk hunne zonden van God, om der verdiensten van Christus' wille,
beloftenis des Evangelies alle
vergeven
daarentegen
allen ongeloovigen, en die zich niet van verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zoolang als zij zich niet bekeeren naar welk getuigenis des Evangelies God zal oordeelen, beide in dit
harte
zijn;
bekeeren,
;
en
in
En
het
toekomende leven".
het tweede grijpt alzoo plaats naar luid van
Antwoord
85,
„als
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's