Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Onze eeredienst - pagina 368

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze eeredienst - pagina 368

2 minuten leestijd

BEDIENING VAN DEN HEILIGEN DOOP.

364

Godgeleerden

Het

ontgaan.

daarom geen

is

overtollig werk, zoo

we

op deze allesbeheerschende wijziging nogmaals de bijzondere aandacht onzer lezers vestigen. gold ieder die ten Doop kwam, als een onreine en den Doop werd de onreinheid en de bezoedeling van hem genomen. Uit den Doop kwam hij als een reine en vlekkelooze En het was deze reiniging, die door de Doopplechtigte voorschijn.

Oorspronkelijk

bezoedelde.

In

heid werd afgebeeld.

Men

stelde zich niet voor dat het water der rivier de

Neen, wat het water der

rivier

afnam was,

zonde afwiesch.

gelijk Petrus het uitdrukte,

„de vuiligheid des lichaams", en wat bedoeld werd in den Doop was de wegneming van de geestelijke bezoedeling der ziel. Die twee liepen evenwijdig.

Zelfs

is

nergens aanwijsbaar, dat er tusschen de lichame-

en de geestelijke reiniging eenig zakelijk verband werd gesteld of ondersteld. De geestelijke en de lichamelijke afwassching waren twee lijke

zichzelf staande handelingen, die alleen

op

beeldig met elkander in verband

Maar

door het bevel Gods zin-

werden gebracht.

dan toch, dat de persoon die zich zou laten doopen, een heiden, en door het teeken des Doops in de gemeenschap van het Koninkrijk der hemelen werd overgezet. Zeker, kon ook een Jood wezen, maar dit maakte geestelijk geen onderhij ten

dit bleef

Doop kwam

de

als

tusschen

scheid,

en

bestond

juist hierin, dat

strijd

niet een Jood, heeft

Johannes den Dooper en de Farizeën Een Heiden wel, maar

de Farizeën oordeelden

:

de reiniging door het Doopwater noodig

!

en dat

Johannes de Dooper daarentegen Heidenen èn Joden beide als onrein beschouwde, en voor beiden den Doop onmisbaar verklaarde. De Joden zelven hadden, reeds lang voor Johannes den Dooper, den proselieten-doop ingevoerd, d. w. z. zij oordeelden dat een Heiden, om Jood te worden, niet slechts besneden moest worden, maar bovendien ook moest worden gedoopt. Hij had als Heiden in een onreine wereld geleefd, was door de besmetting van het Heidensche leven zelf besmet geworden, en nu kon hij niet tot het erfdeel des Heeren overgaan, of hij moest eerst van deze smet van het Heidensche leven gereinigd worden. Dat daarentegen een Jood, die tot het erfvolk des Heeren behoorde, zelf nog onrein zou zijn, was een gedachte waarvoor de Jood geen plaats had. Het onderscheid tusschen geestelijke reinheid en Levitische reinheid niet inziende, kon

Jood,

Wie

die

immers Levitisch

kind van Abraham was, had geen

Daartegenover

nu

stelde

hij

rein was, geestelijk

Johannes

niet verstaan, dat een

nog onrein zou

zijn.

Doop van noode. de

Dooper, dat

dit alles

waar

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's

Onze eeredienst - pagina 368

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911

Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's