Onze eeredienst - pagina 242
238
KNIELEND BIDDEN.
moet uitdrukken, het niet de vraag is of we uitwendig een ootmoedige houding aannemen, maar veeleer of ons hart binnen in ons ootmoedig en nederig voor God gestemd is. Er konden er twee zijn, die baden. De één die zijn knieën boog en onder het bidden voor God in zijn hoogheid woelde. De ander een man die staande bad, maar zijn oogen voor God nauwelijks durfde opslaan. En nu vroeg men, of die staande ootmoed toch niet verre in geestelijke waardij uitgaat boven die geknielde hoovaardij. Aldus redeneerende kwam men dan tot de gemakkelijke conclusie, dat alleen de stemming van het hart meerekende, dat de houding van het lichaam onverschillig was, en dat het, dit zoo zijnde, nog het veiligst was te blijven zitten zooals men zat, want dat beide én dat knielen én dat opstaan weinig anders dan een vertoon voor het oog der menschen is, voor God, den Heilige, die alleen het hart aanziet, zin
zonder beteekenis of waardij.
Tegenover dat eenzijdig mysticisme werd de strijd dan meest gemet de Heilige Schrift. Indien het knielen voor de majesteit des Heeren Heeren, welbezien op niet anders dan op zondig en afleidend vertoon uitloopt, waarom wordt dan datzelfde knielen ons in de Heilige Schrift aanbevolen door stellige uitspraken, door het voorbeeld van de getuigen des Heeren, en zelfs door het nedervallen op zijn aangezicht van Jezus in Gethsemane? Die stellige uitspraken bestonden. Dat viel niet tegen te spreken. Of zegt niet God zelf bij Jesaia (45 23): „Ik heb gezworen bij voerd
:
zelven,
Mij
en
gaan,
worden,
er
het alle
is
zal
een woord der gerechtigheid niet
tong Mij
wederkeeren zal
heiligen apostel Paulus in niet
Is
even
naam van Jezus
stellig
zich
de
:
Rom. 14
:
uitspraak
zoude
dat
buigen
mijnen
dat
is
ge-
woord door den
11
niet opzettelijk
in
Phil. 2
alle
mond
Mij alle knie zal gebogen
En ook,
zweren."
uit
:
herhaald?
10: „Opdat in den
knie dergenen die
in
den
En moet
op op gelet worden, dat hier beide malen gesproken wordt van alle, niet van enkele, zoodat het „nederbuigen van de knieën" tot een vasten, algemeen geldenden regel wordt gesteld? Ja, is niet schier nog sterker de oproeping tot knielen in Psalm 95 6, waar we lezen: „Komt, laat ons aanbidden en nederbukken, Hier toch laat ons knielen voor den Heere, die ons gemaakt heeft." wordt niet alleen profetisch verklaard, dat het zal geschieden, maar hier is het een getuige des Heeren, die zijn medegeloovigen oproept en vermaant, om op de knieën voor God neder te vallen. hemel,
er
niet
:
en
die
de aarde, en die onder de aarde zijn".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's