Onze eeredienst - pagina 537
DE BEVESTIGING
IN
HET AMBT.
533
men
thans het Formulier op te stellen, of ware de tijd rijp om het nieuwen vorm te gieten, zoo zou dit Formulier stellig anders luiden dan nu, en zou allicht hetgeen op de positie van het ambt betrekking in
afgedaan en daardoor
heeft, korter zijn
Uit het Formulier blijkt aanstonds, dat de inzetting in het
ken. iets
juist krachtiger zijn uitgespro-
dat moet plaats grijpen in het
is,
zoo dat het de Kerkeraad geloovigen
is,
ambt midden der Gemeente, maar toch
die hierbij handelend in de vergadering
onderscheidt de Kerkeraad zich van de Gemeente door te zeggen: „Geliefde Broeders, het is u bekend, hoe wij nu, tot drie onderscheidene reizen, de naam van onzen medebroeder N. hier tegenwoordig, openlijk voorgesteld hebben, om te verder
nemen
optreedt.
Duidelijk
iemand wat had, hetzij zijne leer of zijn leven aangaande, waarom zoude mogen bevestigd worden in den Dienst des Woords". Door dit spreken van Wij, onderscheidden toch de ambtsdragers zich van de overige geloovigen, die in het ambt staan, en ze verschijnen voor Gemeente als een corps, dat met macht bekleed is. Ze verklaren toch dat zij een Dienaar beroepen hebben en dat ze dezen beroepen Dienaar herhaaldelijk aan de Gemeente hebben voorgesteld, om te vernemen of er ook wettelijke redenen mochten zijn waarom deze beroeping niet zou kunnen doorgaan. Bezwaren niet ingekomen zijnde, treedt de Kerkeraad dan nogmaals met zijn Wij op, en verklaart als nu, dat hij hierom zal voortvaren tot de bevestiging. Niet de Gemeente zal behij
of
niet
:
maar de ambtsdragers zullen dit doen. „Het is nu alzoo, niemand is verschenen die iets wettigs voorgebracht heeft tegen zijnen persoon; waarom wij thans in den naam des Heeren zullen
vestigen,
dat
ons
De beroepen predikant is natuurlijk nu wordt hem en de Gemeente aangezegd, dat ze hebben aan te hooren een korte verklaring van de inzetting en het ambt der Herders of Dienaren des Woords. Op zich-zelf is dit niet noodzakelijk. Thans zou men het kunnen weglaten. Maar toentertijd, toen de Doopersche denkbeelden de waardigheid van het ambt ondermijnden, was dit gronden van het ambt op het Woord Gods bijna voortvaren
tot
tegenwoordig,
zijne bevestiging".
en
onmisbaar.
Die korte verklaring
is
hier zelfs hoofdzaak,
zoo
IV een breede zinsnede wordt aangehaald, enkel
zelfs dat uit
om
daarop
te
Ephese kunnen
„Daar zien wij, dat de Heilige Apostel onder anderen Herdersambt eene instelling van Jezus Christus is". Daarop volgt dan de teekening van het ambt in het beeld van den Herder, en wordt niet uit de Schrift als zoodanig, maar uit de idee van den Herder de taak van den Dienst afgeleid. Vreemd genoeg wordt deze laten
volgen:
zegt, dat het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1911
Abraham Kuyper Collection | 568 Pagina's